Debat van de week

De zogenaamde multiculturele samenleving. Door: Universiteit van Amsterdam. Met: schrijver Robert Vuijsje en hoogleraar Paul Scheffer. Oude Lutherse kerk Amsterdam, 26 april.

Jan Smit vertegenwoordigt een sociale klasse, geen cultuur

„Ben ik hier dan de enige allochtoon?” Ontredderd kijkt een Antilliaanse vrouw het publiek in. Buiten de muren van de Oude Lutherse kerk, dienstdoende als aula van de Universiteit van Amsterdam, behoort ze als allochtoon bijna tot een meerderheid. Binnen is ze een eenling.

Onbedoeld bevestigt ze daarmee de lezing die schrijver Robert Vuijsje daar maandagavond gaf over ‘de zogenaamde multiculturele samenleving’. Amsterdam is volgens hem geen smeltkroes van culturen, maar een stad waar mensen zich ophouden in hun eigen etnische groep. „Er zijn delen in Amsterdam waar niemand weet wie Jan Smit is”, zei Vuijsje. Het omgekeerde geldt ook: hij kreeg de voetjes niet van de vloer met het draaien van Bouger Bouger, een videoclip van de populaire Ivoriaanse band Magic System waarin zwarte mannen bouncen op een mix van R&B, hiphop en traditionele Afrikaanse muziek.

Is dat erg? Misschien is elkaar mijden wel aangenamer, zegt gespreksleider Paul Scheffer. Hij kent mensen die denken: ach, laat de Bijlmer de Bijlmer maar, mij zul je er niet zien. Scheffer benadrukt dat kennismakingen tot conflicten kunnen leiden. Maar ja, in een drukke stad lopen mensen die elkaar bewust mijden soms toch tegen elkaar op.

En daardoor is de hoop op integratie bij de Antilliaanse vrouw vervlogen. „Je doet je best, maar je houdt het gevoel nooit geaccepteerd te worden in dit land.” Daarvan geeft ze twee schrijnende voorbeelden. Haar zoon vertelde laatst dat een mevrouw haar tas dichtdeed toen hij naast haar stond. De vrouw schudde haar hoofd en maakte afkeurende geluidjes. En laatst vroeg ze zelf een jongen de weg. „De moeder van die jongen zei toen: ik heb je toch geleerd niet met negers te praten.”

Het zijn situaties die Vuijsje beschrijft in zijn roman Alleen maar nette mensen (Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 2008). Een bevoorrechte jongen uit Amsterdam-Zuid gaat in dat verhaal ‘op safari in de Bijlmer’. Het bijzondere aan hoofdpersoon David Samuels is zijn voorkomen: het is een Jood met een Marokkaans uiterlijk. Vuijsje ontkent niet dat David wel wat van hem weg heeft. „Bijna niemand weet uit eerste hand hoe het voelt het ene te zijn en tegelijkertijd gezien te worden als het andere.” Zo rauw als Vuijsje de culturen in zijn boek met elkaar in conflict laat komen, zo zalvend was zijn lezing. „Het zou geen kwaad kunnen als mensen diepgaander kennisnemen van andere gewoonten.”

Een grijze vrouw met een groen jasje begeeft zich naar de microfoon in het gangpad. Vuijsje ziet het volgens haar helemaal verkeerd. „Ik ben blank en heb die goede man nog nooit gehoord”, zegt ze, doelend op volkszanger Jan Smit. Het probleem dat hier besproken wordt, gaat volgens haar over de discrepantie tussen hoger opgeleid en lager opgeleid, niet aangepast en wel aangepast. „Dat ik met Smit niets heb, toont aan dat het niet om ras gaat, maar om opleiding.” Paul Scheffer, niet de minste als het om geleerdheid gaat, bewijst het tegendeel. Hij maakt het publiek deelgenoot van de breuk tussen showbizzmeisje Yolanthe en Jan. „En nu is ze met Wesley. Binnenkort gaan ze trouwen.”

Over relaties gesproken. Waarom nemen autochtonen niet een voorbeeld aan Vuijsje, die in zijn boek een voorkeur uitspreekt voor zwaarlijvige negerinnen. „Op structureel niveau kan dat een grote verandering teweeg brengen”, zegt een man. Dat beaamt Vuijsje. „De hele kwestie zou dan voorbijgaan.”

Steven de Jong