De Al Gore Hal

Tot een paar jaar geleden stapte ik iedere werkdag op het Rembrandtplein in de tram. De redactie was gevestigd aan de Herengracht, niet in een huis uit de Gouden Eeuw maar in een betrekkelijk nieuw pand, dat zijn eigen gezelligheid had. Je kon er zelf koffie zetten en er was een ijskast met gratis frisdrank en chocomel. Ik had er een kamertje met alles wat ik nodig had: plantjes, boeken, een windbuks en een asbak. Op zondag schoten we in de grote zaal met de buks. Bevriende redacteuren namen hun kinderen mee. Het wandelingetje van de redactie naar de tramhalte was ook altijd de moeite waard, langs het Thorbeckeplein met dichtgetimmerde coffeeshops, een stripteaseclubje, en dan op het Rembrandtplein een veredelde koffiekeet. En in het centrum van het plein het beeld van Rembrandt en de Nachtwacht in drie dimensies, een van de grootste toeristische attracties. Japanners, Amerikanen, Chinezen, Duitsers, allemaal wilden ze een kiekje waarop ze tussen de mannen van Frans Banning Cock stonden.

Toen kwam eerst het totale rookverbod. Daarna werd de gratis verstrekking van frisdrank opgeheven. En tenslotte besloot de directie in haar ondoorgrondelijke wijsheid dat we moesten verhuizen. De vierde keer dat me dit bedrijfsmatig overkwam. Iedere verhuizing is een revolutie. Het maakt geen verschil of je zelf ergens anders gaat wonen of dat je bedrijf van locatie verandert, je gaat naar een ander deel van de wereld. Een nieuwe route, andere straten, een onvertrouwd decor. Alles wat nieuwsgierig maakt. We gingen naar het voormalige terrein van Stork, de Jacob Bontiusplaats, waar we onderdak kregen in een gebouw dat Init heet. In die buurt was ik nooit geweest, wat de hele operatie nog boeiender maakte.

Dus op een vroege ochtend in lijn tien, de negentiende eeuw in, langs de oude kazernes die we aan Lodewijk Napoleon te danken hebben, en zo bereikte ik de Czaar Peterstraat, een van de melancholiekste straten, misschien wel ter wereld. De gevelrij doet denken aan het omslag van De Avonden, eerste druk, van de schrijver die zich toen nog Simon van het Reve noemde, getrouwd was met Hannie Michaelis en in de Galerij aan het Frederiksplein woonde. Meer voorbij is niet mogelijk.

Op zijn allerklagelijkst riep de automatische tramstem dat we bij de Leeghwaterstraat waren. Ik stapte uit en binnen een paar minuten had ik van een afstand een panoramisch uitzicht op mijn nieuwe werkonderkomen. Overweldigend. Denk aan een uitzonderlijk gigantisch uitgevallen aquarium met op de voorgrond een onbestraat terreintje versierd met één mager boompje. Nog nieuwsgieriger liep ik verder. Geen ingang. Die bleek aan de zijkant te zijn. Terwijl ik de hoek omsloeg werd ik getroffen door een gure wind. Dat is de Bontiuspassaat; die waait daar altijd. En zo bereikte ik na een interessant wandelingetje het entree. Mijn chipkaart werkte feilloos. Voor het eerst van mijn leven stond ik in de Init.

Overweldigend. Je staat voor een paar roltrappen. Wees niet bang, laat je naar de eerste etage tillen. Een roltrap is altijd een klein genot: zonder dat je ook maar voor één calorie je best hoeft te doen, word je statig en waardig verheven. In dit geval bereik je een ruimte die ik de Al Gore Hal noem, waarschijnlijk de grootste, best verwarmde en leegste uitgestrektheid van ons werelddeel. Je zou er een paar grote verkeersvliegtuigen kunnen stallen, grote tentoonstellingen kunnen houden, een dancefeest aanrichten. Maar er is helemaal niets behalve de lucht. De Al Gore Hal heeft de permanente en de beste expositie van het Totale Niets die ik ooit heb gezien. Indrukwekkend. En het wordt er uitstekend schoon gehouden.

Nog een roltrap en je bent op de tweede verdieping waar onze redactie huist. Maar daar ben je dan nog niet. Je moet eerst nog door een chiptourniquet en dan een passage oversteken, ongeveer ter grootte van de Haagse. Daar woonde tot ongeveer een half jaar geleden een kraai. En dan, eindelijk, kom je op de redactie. Wat je daar kunt meemaken vertel ik later.