Cannabiskoper inzet Europese zaak

Het Europese Hof van Justitie buigt zich over de vraag of gedogen van softdrugs samengaat met verbod op verkoop van cannabis aan buitenlanders.

„Wie zegt nu dat bezoekers van de Maastrichtse coffeeshop Easy Going niet hele easy going mensen zijn?” Met een grapje zette Hubert van Vliet, gemachtigde namens de Europese Commissie, donderdag voor het Europees Hof van Justitie in Luxemburg vraagtekens bij het niet toelaten van buitenlanders in Maastrichtse coffeeshops. „Stel nu dat ze braaf geparkeerd hebben? Of zelfs met de trein zijn gekomen? Dat ze echt alleen maar cannabis willen en niets met cocaïne of andere harddrugs te maken willen hebben?” Van Vliet wilde zeggen: mag je in het geval van bedreiging van de openbare orde door bepaalde coffeeshopklanten een hele groep uitsluiten van een bezoek aan deze gelegenheden?

Het Europees Hof van Justitie in Luxemburg hield donderdag een hoorzitting in de zaak-Josemans. In 2006 werden in Easy Going, een coffeeshop van Marc Josemans, tevens voorzitter van de Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht, twee buitenlanders aangetroffen. De kort daarvoor van kracht geworden Algemene Plaatselijke Verordening verbood dat. De bepaling is direct na het optreden bij Easy Going de ijskast ingegaan in afwachting van de uitkomst van een proefproces. De zaak ligt inmiddels bij de Raad van State. Die wil, voordat ze uitspraak doet, echter eerst van het Europees Hof horen of het maken van onderscheid tussen ingezetenen en cannabiskopers van buiten Nederland niet strijdig is met vrij verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie.

André Beckers, advocaat namens Josemans, betoogde dat dit het geval is. Cannabis is wel degelijk een economisch goed. Beckers becijferde dat alleen al Easy Going, één van de veertien Maastrichtse coffeeshops, dit jaar voor tien miljoen euro aan cannabis verwacht om te zetten tegenover ruim vijfhonderdduizend euro aan omzet uit ‘normale’ horeca-activiteiten. Omzetbelasting wordt er vanwege het illegale karakter niet betaald, maar wel loonbelasting, pensioenpremies, BTW en vennootschapsbelasting. De advocaat haalde ook een recent onderzoek aan dat de economische spin-off van de coffeeshops schatte op 1,4 miljard euro, goed voor 1.370 voltijdsbanen.

Sander Lely, advocaat van de gemeente Maastricht, stelde zich op het standpunt dat in het geval van handel in verboden middelen er juridisch gezien nooit sprake kan zijn van vrij verkeer van goederen. „Dat er ook nog omzet wordt gemaakt met legale producten (minder dan 10 procent) is niet relevant.” Hij werd op dit punt bijgevallen door de gemachtigden van de Nederlandse en de Belgische staat.

Van Vliet, gemachtigde namens de Europese Commissie, wees op de consequenties van een eventueel oordeel om de handel van coffeeshops buiten de werking van het unierecht te laten vallen. „Alles met betrekking tot coffeeshops valt daar dan buiten. Wat betekent dat voor grensarbeiders die er werken? De vrijheid van kapitaal wordt ook aangetast. Alleen Nederlanders mogen in dat geval eigenaar zijn van een coffeeshop.”

Het toepassen van het woonlandbeginsel in de coffeeshops is niet louter ingegeven door eigen belang, beweerden de advocaat van de gemeente Maastricht en de gemachtigde van de Nederlandse staat. Het gaat ook om het waarborgen van de openbare orde in andere lidstaten van de Europese Unie. „Nederland wordt daar internationaal ook op aangesproken”, aldus Corinna Wissels, gemachtigde namens de Nederlandse staat. Zo’n 70 procent van de ruim twee miljoen mensen, die jaarlijks een Maastrichtse coffeeshop bezoeken, komt uit het buitenland (voornamelijk uit Duitsland, Frankrijk en België). De gemachtigde van België vroeg de rechters om aandacht voor de overlast: Franse drugstoeristen die België doorkruisen, activiteiten van drugsrunners en terugkerende cannabiskopers die onder invloed rijden.

Van Vliet noemde het vreemd dat in nota’s van Burgemeester en Wethouders van Maastricht over de problematiek de bezorgdheid over de openbare orde buiten Maastricht onvermeld blijft. Hij verwees ook naar een arrest in een zaak over Poolse prostituees in Nederland. Toen bepaalde het Europees Hof dat het niet zo kan zijn dat eigen ingezetenen niets in de weg wordt gelegd en mensen van elders wel. „De Europese commissie heeft op zich niets tegen een proefproces. Maar waarom zijn niet eerst minder beperkende maatregelen zoals een pasjessysteem, een kleinere hoeveelheid cannabis per koper (bijvoorbeeld drie gram in plaats van vijf gram) of de verplichting tot gebruik ter plaatse?”

Uit de vragen van de rechters in Luxemburg sprak enige verbazing over het Nederlandse softdrugsbeleid. Als verkoop van cannabis slechts gedoogd wordt, wat stond er dan wel in die vergunningen die sommige gemeenten afgeven aan coffeeshops? En wie zorgt voor de aanvoer? De staat misschien?

Het Europees Hof noemde donderdag geen datum voor een oordeel, maar beloofde snel te werken. Een definitieve uitspraak van de Raad van State over de zaak-Josemans wordt nog voor het eind van dit jaar verwacht. Die is van belang bij het opnieuw vormgeven van het Nederlandse softdrugsbeleid. Ook de burgemeesters van de Limburgse coffeeshopgemeenten willen voor een eventuele proef met een pasjessysteem eerst duidelijkheid van de Raad van State.