Bestuurlijke moestuin met Belgische trekjes

Eigenlijk zijn het dunbevolkte Zeeland en Drenthe niet meer dan grote gemeenten. Tegelijkertijd weet niemand precies hoeveel provincie- en gemeentebesturen zich bezighouden met de Randstad, toch de economische motor van het land. Het lijkt België wel.

De bestuurlijke moestuin Nederland kent vele, vooral historisch gegroeide, grenzen en competentiegebieden waarin bestuurders en gekozenen vooral druk met elkaar zijn. Toch wordt er al zestig jaar geknutseld aan de drie bestuurslagen waaruit de decentrale eenheidsstaat Nederland sinds de negentiende eeuw is opgebouwd. En intussen is er nog één overal tussendoor gekropen: Europa.

Wat moet de overheid wel en niet doen, is daarbij altijd de vraag geweest. Bestuurlijke structuren zijn immers middel, geen doel.

Geen thema heeft zo veel bestuurskundigen werk verschaft en politici zoveel hoofdbrekens bezorgd als dit: schrijf op hoe het beter kan. Waarna er meestal niets gebeurde.

Maar de noodzaak de komende jaren miljarden op de overheidsuitgaven te besparen zorgt nu onvermijdelijk voor een herijking van de doelen. Dus kan er eindelijk ook worden besproken welke structuur daarbij doelmatig is. De gebruikelijke moedeloosheid die dit thema aankleeft, begint weg te smelten. Sterker, het is het enige terrein waarop de aanstaande sanering stilletjes wordt verwelkomd. Kan de zaak echt vlot getrokken worden?

In alle partijprogramma’s staan, meestal vrij opportunistische, plannen om departementen samen te voegen of bestuurslagen te verwijderen. Terecht vroeg vicepresident Tjeenk Willink van de Raad van State om keuzes degelijk te onderbouwen. Maar moet dat echt eerst? Er ligt decennia denk- en advieswerk klaar. De behoefte nog eens de zoveelste blauwdruk van de overheidsinrichting op te schrijven dient krachtig te worden onderdrukt. Iedere politieke discussie eindigt nu in positiespel met zelfbehoud als motief.

De praktijk heeft bovendien een eigen dynamiek. Het Inter Provinciaal Overleg stelde onlangs voor de waterschappen over te nemen. Naar verwachting zal het aantal gemeenten autonoom verder dalen. In 2025 zou het aantal zijn afgenomen van 430 naar 300. Moet dat niet versnellen naar 100 of 150? De praktijk vraagt nu al om opschaling.

Overal groeien bestuurlijke samenwerkingsverbanden. Er zijn inmiddels 25 veiligheidsregio’s. Samenwerking op sociaal vlak, van leerlingenvervoer tot volkshuisvesting en jeugdwerk levert zo’n 30 tot 40 regio’s op. Veel overheidstaken die neerdalen bij gemeenten blijken doelmatiger op een grotere schaal te kunnen worden verwezenlijkt. Zo groeit er een onoverzichtelijke lokale netwerkoverheid die zichzelf per taak op maat aanbiedt, min of meer ingebed in een los verband van gemeenteraden.

Niemand ontkent meer dat het Koninkrijk der Nederlanden de facto drie bestuurslagen kent: Europa, landelijk en regionaal. Het lijkt een kwestie van tijd of het regionale bestuur bestaat straks uit grote gemeenten, gecoördineerd door niet meer dan vijf provincies. Of alleen nog uit gemeentelijke regio’s. Dat perspectief biedt een geweldige kans de burger opnieuw te betrekken bij het lokale bestuur. Schaalgrootte zorgt immers voor grotere eigen belastinggebieden, herkenbare taken en dus transparante structuren.

De lokale democratie kan dan zomaar een impuls krijgen.