Anne Frank is als idool van de 21ste eeuw onontkoombaar en alomtegenwoordig

De Tweede Wereldoorlog raakt niet in vergetelheid, maar komt steeds dichterbij. Dat geldt ook en vooral voor Anne Frank. Zou geen overbuur toen dat bleke spitse gezichtje door een gordijnkier hebben gezien?

Socioloog en emeritus universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Onderstaande rede hield hij 28 april 2010 bij de viering van het 50-jarig bestaan van het Anne Frankhuis.

In de vijfenzestig jaar sinds haar dood is Anne Frank gestaag en onstuitbaar getransformeerd tot een mondiaal idool, niet zo iemand maar wel zoiets als Mahatma Gandhi of Martin Luther King of Nelson Mandela. Anne Frank was geen leider van volkeren, geen bevrijder van naties, maar een Duits meisje dat op haar vijftiende omkwam in het Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen. Anders dan die idolen heeft Anne Frank haar korte leven niet alleen beleefd, maar leeft zij voort in en door de beschrijving die zij ons zelf van haar leven heeft gegeven. Annes dagboek van de onderduik in het Achterhuis is wereldberoemd. Het vertelt het verhaal van een meisje dat in levensgevaar opgroeit tot jonge vrouw, maar nog vóór ze volgroeid is wordt vermoord. Dat verhaal, zoals Anne het van kind tot half-volwassen heeft verteld, is nu een kernthema geworden in de wereldliteratuur, zoals Medea, Don Quichotte of Romeo en Julia. Ook Het Achterhuis is zo’n verhaal geworden waar mensen niet van af kunnen blijven. Ze lezen het in tientallen talen, bij miljoenen, nu al een mensenleven lang. Dat is dus bijna viermaal zolang als Anne heeft geleefd.

Zoals alle kernthema’s uit de wereldliteratuur verschijnt ook de geschiedenis van Anne telkens in een andere gedaante en in al die gestalten blijkt het te werken: als boek, toneelstuk, film, of musical, in reizende tentoonstellingen en in een museum, in de studies en romans van andere schrijvers, en zelfs als stripverhaal.

Anders dan Euripides, Cervantes, of Shakespeare heeft Anne haar verhaal niet bedacht, maar het tegelijk beleefd én beschreven, gemaakt én meegemaakt. Annes verhaal is niet enkel literatuur, het is ook echt gebeurd, het is wáár.

Anne was, daar is geen twijfel over, als auteur een hoogst begaafde beginneling met een feilloos oor voor het Nederlands dat toch haar tweede taal was. Ze was, nóg, geen literair genie en of ze dat ooit zou zijn geworden zullen we nooit weten, want haar ongeschreven werken hadden geschreven moeten zijn in haar ongeleefde leven. Met de tijd die haar ontroofd is, werd ook dat oeuvre haar én ons ontnomen. Dat is wat moord betekent.

Het is al vaker opgemerkt: de Tweede Wereldoorlog, en vooral de nazivernietiging van de Joden en van zoveel andere mensen, raakt niet in vergetelheid maar komt steeds dichterbij; het is nu in 2010, na vijfenzestig jaar, korter geleden dan na, zeg, vijftien jaar, in 1960. Het lijkt wel alsof we op de tocht van die onderwereld vandaan nu pas durven omkijken naar dat onverdraaglijk verleden. Dat geldt ook en vooral voor Anne Frank. Zij is nu veel meer aanwezig dan in de jaren na de oorlog. Ze is inmiddels onontkoombaar en alomtegenwoordig als een idool van de eenentwintigste eeuw.

De bezoekers van het Achterhuis zijn merendeels jong, heel jong: rugzaktoeristen, studenten, kinderen met hun ouders. De toeristen naderen in groepjes die al op afstand hun pas vertragen en hun stemmen dempen. Dag aan dag staat er voor het huis een lange rij te wachten om te worden toegelaten. Het is heel rustig in die rij, alsof men zich op iets plechtigs voorbereidt, met iets van wijding. Eenmaal binnen wachten de bezoekers lijdzaam tot ze in de volte verder kunnen schuifelen langs de steile trappen en door de benauwde kamers, heel even beklemd geraakt in de vertrekken waar Anne en de haren 25 maanden opgesloten zaten.

Het Anne Frankhuis in Amsterdam ontvangt jaarlijks een miljoen bezoekers in een krap gebouw waar niet veel meer te zien is dan wat relikwieën uit de jaren veertig in een nauwkeurig geconserveerd interieur. Maar daar, in dat Achterhuis, kan men de genius loci beleven, de ervaring van de plek zelf, waar Anne met haar huisgenoten in het verborgene geleefd heeft, in doodsgevaar, en waar ze schreef aan haar geheim dagboek, tot ze allemaal werden opgepakt en afgevoerd naar Auschwitz. Anne werd vandaar met haar zuster versleept naar Bergen-Belsen, waar de nazi’s haar tenslotte lieten creperen aan de tyfus, met tienduizenden anderen. Dat is het onopgeschreven naschrift bij het Dagboek, dat in het Anne Frankhuis indringend wordt gedocumenteerd voor bezoekers die daar, vaak voor het eerst, gedreven, kennis van nemen. Anne Frank bevroedde wat de Joden te wachten stond: „We nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing” (bladzijde 39). Dat schreef ze in oktober 1942. Als ze dat in het Achterhuis wisten, dan moeten de mensen buiten dat toch ook hebben kunnen vermoeden, of op zijn minst moesten ze het vrezen.

Het huis aan de Prinsengracht staat midden in de drukke Amsterdamse binnenstad. In het voorhuis en in de onderste etages van het Achterhuis werd kantoor gehouden en gewerkt in het magazijn. Het personeel was overdag aan de slag op een paar meter afstand van de onderduikers, alleen van hen gescheiden door gehorige wanden en vloeren. Zou nooit iemand van de oningewijde werkers zich hebben afgevraagd wat er gebeurde op de bovenverdiepingen van dat Achterhuis; waar de toegangsdeur was gebleven; wat zich achter die archiefkast bevond? Zou nooit eens iemand van het personeel wat eerder gekomen zijn of wat langer nagebleven en toevallig de helpers hebben aangetroffen met tassen op weg om de onderduikers te bevoorraden? Echt nooit? Elk geurtje, elk kuchje, weglopend water, een vergeten papiertje, een achtergelaten zakdoek, de kleinste slordigheid kon de onderduikers verraden. De bewoners van het Achterhuis leefden in voortdurende angst voor het minste of geringste levensteken dat daarbuiten kon worden opgevangen.

Het Achterhuis bood uitzicht op een tuinenblok en dus was uit tientallen ramen van de omringende huizen de achtergevel van dat Achterhuis te zien. Zou nooit iemand zich hebben afgevraagd wat zich daar achter de verduisterde vensters afspeelde, waarvoor die ruimtes werden gebruikt, zou niemand in al die jaren ooit een glimp van beweging, een geluid, iets verdachts, wat dan ook, hebben opgemerkt? Een enkele keer gluurde Anne door een kier van de gordijnen naar buiten, naar de straat. Zou niemand, geen overbuur, geen voorbijganger ooit dat bleke, spitse gezichtje in die smalle spleet hebben ontwaard? Misschien niet.

De aardappelleverancier had de straatdeur zien openstaan en inbrekers gesignaleerd, maar toch niet de politie gewaarschuwd: „ik weet wel niets, maar ik vermoed veel” (197). Het kan niet anders dan dat heel veel mensen in de buurt van het Achterhuis iets hebben gemerkt. Misschien dat ze het niet weten wilden, misschien dat ze er niet aan denken durfden, mogelijk hebben ze gezwegen, mogelijk ook namen ze anderen in vertrouwen die het weer even vertrouwelijk verder hebben verteld.

Er moet rondom dat huis, in de buurt van Anne Frank, een woordeloze en haast gedachteloze samenzwering hebben bestaan van omwonenden, werkers, winkeliers, niet geheel waterdicht en ook niet helemaal lek. Totdat de verrader toesloeg en de bewoners van het Achterhuis werden gearresteerd en weggevoerd. Het was 4 augustus 1944, negen maanden en één dag voor de Bevrijding.

Een paar straten verderop, in net zo’n grachtenhuis, hield zich een ander gezelschap verborgen onder heel overeenkomstige omstandigheden. Zij werden niet verraden en door de Duitsers niet gevonden tot de vijfde mei 1945. Zo hebben mijn ouders de oorlog overleefd.

De bewoners van het Achterhuis waren volstrekt weerloos, volslagen hulpeloos. Die afhankelijkheid van de helpers drukte zwaar, misschien even kwellend als de angst: „Ik vraag me steeds weer af, of het niet beter voor ons allemaal was geweest als we niet waren gaan onderduiken, als we nu dood waren en deze ellende niet meemaakten, vooral omdat dan onze beschermers geen gevaar meer zouden lopen.” (229) Anne voelde zich kennelijk bezwaard dat anderen zich zoveel inspanning getroostten en zo groot risico namen voor haar en haar huisgenoten. Ik denk dat ze zich daar – hoe onredelijk ook – voor geneerde en dat de doodsgedachte in deze passage opkwam omdat ze zich doodschaamde om haar hulpeloosheid.

In het begin van het dagboek, als ze voor het laatst op straat is, met haar vader op weg van haar eigen huis naar de Prinsengracht om te gaan onderduiken in het Achterhuis, noteert ze wat plechtstatig : „De arbeiders, die vroeg naar hun werk gingen, keken ons medelijdend na; op hun gezicht was duidelijk spijt te lezen dat ze ons generlei voertuig konden aanbieden, de opzichtige gele ster sprak voor zichzelf” (17). Ze hoopt blijkbaar dat de voorbijgangers met haar meeleven. Maar er is ook, bedekt, de schaamte voor de ‘opzichtige’ Jodenster, die je bovendien juist met trots zou moeten dragen.

Anne, stateloos geworden, idealiseert Nederland en de Nederlanders: „maak me Nederlander!” (199). Dat is bij haar al helemaal geen verloochening van haar Joodse afkomst en geloofsovertuiging. Ze wil volwaardig worden opgenomen in de natie, verlost van haar status als verstotene met alle vernedering van dien.

Er is de laatste jaren vaak sprake geweest van de hang naar het slachtofferschap, naar de halo van het lijden. Mensen willen zich dan laten voorstaan op het leed dat zij doorstaan hebben. Dat zal zeker wel voorkomen. Maar daaronder gaat toch nog een andere laag schuil: het is schaamtevol om slachtoffer te zijn, om weerloos, afhankelijk en vernederd te zijn geweest. De onderduik was niet alleen bijzonder gevaarlijk en beangstigend, maar ook kleinerend en beschamend. Zo hoort men dat niet te ervaren, want in het moralistisch universum is alle schande voor de onderdrukkers en de beulen, de slachtoffers komt ere toe. Maar in de gevoelswereld gaat het nu eenmaal anders. Daar zijn het de verliezers die zich schamen.

Dat is een onbesproken kant van het oorlogsverleden. Zoals ook de woede die zich soms tegen de slachtoffers keert ternauwernood bespreekbaar is.

Anne Frank, uitzonderlijk gevoelsbegaafd, zinspeelt in haar dagboek op die emoties. Ze wilde schrijfster worden en beroemd. Ze is, haars ondanks en postuum, uitgegroeid tot een idool, tot het zinnebeeld van de Jodenvervolging, uiteraard ten onrechte, maar toch niet helemaal onverdiend. Zij is daarmee, ondanks zichzelf, de grote geheugensteun geworden van de collectieve herinnering aan de nazimoord op de Joden en op zoveel andere mensen.

De nagedachtenis van Anne Frank staat als een huis, nu al een halve eeuw.

Schuldgevoel over het lot van de Nederlandse Joden overheerst nu, maar dat was niet altijd zo en misschien zal dat ook niet zo blijven. Maandag in NRC Handelsblad een artikel van Jos van der Lans en Herman Vuijsje over de vraag wat de gebeurtenissen in en rond het Achterhuis ons hierover kunnen leren.