Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Sport

Een Tukker blijft nuchter

De Twentenaar heeft een bescheiden inborst. Maar alle fans durven nu te dromen dat FC Twente kampioen wordt.

Zoals Tukker Bart Hinke.

Voorzitter Joop Munsterman van FC Twente reageerde wat geprikkeld op mijn ongeloof. Maar hé, je kon mij in de tijd dat ik student journalistiek was veel wijsmaken, maar een kampioenschap voor Twente „binnen vijf jaar” – dat ging ik dus echt niet opschrijven hè.

„Hoezo zou dat niet kunnen dan?”, vroeg Munsterman. Clubbegrotingen, zei ik. Munsterman kwam met prognoses. Hij had het over een stadion dat over vijf jaar „groter is dan dat van PSV”. Ja, ja.

Toch raakte ik, als Twentesupporter, al tijdens het interview vervuld van een Obama-gevoel avant la lettre. Deze man durfde te dromen. Hoezo inderdaad zou dat niet kunnen?

Dat was in 2007. AZ had de top bereikt, FC Twente was als vierde geëindigd. Uitbreiding van het stadion was net goedgekeurd door de gemeente Enschede. Knokken voor incidenteel Europees voetbal zou weleens voorgoed tot het einde kunnen behoren. Wie stopte ons nog?

En: wie wíl ons stoppen? De sympathie voor Tukkers – ligt het aan mij? – is haast voelbaar. Het geeft me weleens een opgelaten gevoel. Leuke club, zeggen ze dan. Altijd een goede sfeer. Mooi voetbal bovendien. Dank je.

Supporters schamen zich vaak niet voor het mantra everyone hates us, we don’t care, maar er is weinig aan te merken op het Twentse sprookje. Zelfs Ajaxfans die ik ken kunnen het wel waarderen. Hoewel, nu misschien even niet.

Zou het komen door de veronderstelde bescheiden inborst die ons kenmerkt? We leggen het er nu eenmaal niet zo dik bovenop.

En ook: ooit een onsympathieke Tukker ontmoet? Moet je eens langskomen trouwens.

Niemand ten westen van de IJssel pruimt het Twentse accent, maar brommers kiek’n is dan wel weer grappig. Boerenslimheid voedt de Twentse ondernemerszin, nuchterheid vormt de uitstraling naar buiten toe.

Het siert Twente dat het zich bewust is van zijn bescheiden rol in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Neem het ‘ambitieuze’ clublied: Eenmaal zullen wij de kampioenen zijn. Eenmaal, dat hoeft dus niet per se nu. Alle tijd toch.

Of deze: Trots, da’w veur Twente bint/maakt ons nie oet, wat-ie d’r van vindt/lach ons maar oet nee dat deut ons nie wat/Enschede dat is onze stad.

Enschede dat is onze stad! Verbazingwekkend, uit al die kelen van Albergen tot Hardenberg en van Hengelo tot Zenderen. Als één man.

De regio – minus Heracles Almelo en omstreken natuurlijk – maakt zich nu op voor een volksfeest. Wie dat durft althans, want in Twente houden we er niet zo van de goden te verzoeken.

We staan bovenaan, dat hoor je wel om je heen. Maar Kampioenen! zingt niemand. Wij houden ons rustig – jullie doen maar, daar in Amsterdam. Zondag zullen we zien.

En dan is het over twee weken ook nog tien jaar geleden dat de vuurwerkramp de Enschedese wijk Roombeek wegvaagde. Het zijn gedenkwaardige tijden in het oosten.

Een kampioenschap betekent veel, van kwekerij Boomkamp tot diep in de Enschedese probleemwijk Velve-Lindenhof. Sportief, maar ook sociaal werken de successen van de diep in de maatschappij gewortelde club door.

Een regionale boost is het, al is die misschien niet direct te merken in de economische kerncijfers. Hoewel een streekgenoot zei: „Toen we de beker wonnen was ik drie dagen dronken, als we kampioen worden drie weken.” En ik denk dat hij niet de enige zal zijn.

Maar dan moeten we het nog wel worden.