Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Wie een hoogstam plant, plant een boel werk

Limburg heeft nog redelijk wat ouderwetse hoogstamboomgaarden. Dankzij subsidie, bewustwording, liefde en veel zorg.

Bloeiende hoogstambomen nabij Eckelrade. Foto Chris Keulen Nederland, Eckelrade, 24.04.2010 Hoogstambomen in Limburgs landschap Eckelrade. foto: Chris Keulen
Bloeiende hoogstambomen nabij Eckelrade. Foto Chris Keulen Nederland, Eckelrade, 24.04.2010 Hoogstambomen in Limburgs landschap Eckelrade. foto: Chris Keulen

Met uitbundige bloesempracht vieren de bomen rond Eckelrade het voorjaar. Van een oogst is nog lang geen sprake. Op een tafeltje bij de toegang tot een erf staan wel producten met fruit uit eerdere jaren: appelsap, jams. In een potje kan het geld worden gedaan. De boer vertrouwt erop dat het potje blijft staan en de gevraagde prijzen betaald worden. Dat kan nog in het Limburgse Heuvelland.

Niet in alle opzichten gaat het nog zo ouderwets toe. De fruitteelt werd de afgelopen vijftig jaar aangepast aan de eisen van de moderne tijd. Vroeger telde Zuid-Limburg volop gemengde bedrijfjes. Onder boomgaarden met diverse soorten fruit liep het vee. Maar door rooipremies gingen grote percelen tegen de vlakte. Laagstamfruit in geometrisch geordende rijen werd de nieuwe norm. Groene gordels van fruitbomen rondom dorpen in het Heuvelland hadden te lijden onder uitbreidingsplannen en verwaarlozing.

Fons Sluijsmans staat bij de enorme fruitschuur die zijn zoon neerzet bij Eckelrade. De nieuwbouw is omringd door vijf hectare laagstamfruit. De hoogstamliefde van zijn vader kan op weinig begrip rekenen bij Sluijsmans junior. „Pap, hak die zooi toch om”, zegt hij. Maar dat kan Fons Sluijsmans niet over zijn hart krijgen. Hij combineert een baan als leraar Frans met ontelbare uren in zijn boomgaarden. Elke pruim, kers, appel of peer is voor hem bijna een persoonlijkheid. „Dit is Limburgs cultuurgoed”, vindt hij. „Ik heb het van thuis meegekregen.”

Sluijsmans begrijpt de overwegingen van zijn zoon wel. „Hij moet mee met de markt. Laagstamfruit vergt meer investering vooraf, maar brengt daarna ook meer op. En het is efficiënter: ik pluk op goeie dagen 120 kilo per dag, hij straks een kilo of 300. Bovendien kan hij zijn producten beter kwijt. De consument koopt helaas met de ogen. Smaak speelt niet of nauwelijks een rol. Als ik vijf kistjes met verschillende soorten kersen neerzet, is die met de dikste het eerst leeg. Zelfs als ze een stuk duurder zijn.”

Twintig jaar geleden nam de stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg (IKL) het initiatief om nog iets van het oude landschap te behouden. „Het begon met snoei- en herstelacties in bestaande boomgaarden”, vertelt Gertjan van Elk, woordvoerder van IKL. „Dat kreeg een vervolg met de subsidiëring van nieuwe aanplant. Onder onze verantwoordelijkheid zijn de afgelopen twee decennia 38.800 bomen neergezet. In totaal telt Limburg er nog zo’n 80.000.”

Pijnlijke nederlagen waren er ook. Rond 2000 sneuvelden talrijke bomen bij een ruilverkaveling. In de volksmond is het ‘De slag om Eckelrade’ gaan heten.

Ook voor onderhoud van hoogstamfruit kunnen eigenaren een vergoeding krijgen: 15 euro per jaar per boom. „Een tegemoetkoming”, zegt Van Elk. Het IKL beperkt zich niet tot subsidie, snoei en aanplant. „We organiseren activiteiten waar vrijwilligers komen helpen. We bevorderen de kennis met cursussen en via het Pomologisch Genootschap. En we proberen een breder publiek enthousiast te maken met bloesemtochten en boekjes met wandel- en fietstochten.” Ruim 6,3 miljoen euro ging er de afgelopen twintig jaar aan op, geld van overheden en sponsoren als DSM en Brand Bier.

Liefde voor de hoogstam is een vereiste voor behoud, weet Van Elk. „Wie zo’n boom plant, plant een heleboel werk. Je moet hart voor de hoogstam hebben.”

Kennis is ook een vereiste. Fons Sluijsmans leerde veel van zijn vader en diens generatie: ervaringswetenschap en foefjes. „We werken bij de oogst met ladders van vijftig sporten en tien meter hoogte. Daar moet je mee kunnen balanceren en ze precies goed in een boom kunnen zetten. Mijn zoon is veel sterker dan ik, maar hij kan die ladders niet hanteren.”

Michel Schrijnemakers, directeur van de Fruitveiling Zuid-Limburg in Margraten, is opgegroeid op een voor de streek zo typisch gemengd bedrijf. „We hadden heel veel hoogstambomen, vooral kersen. In een jaar met een goede oogst werden er nieuwe machines gekocht voor de boerderij en wat makkelijker geleefd. Bevroren de bomen of verregenden de kersen, dan moest een jaar lang elk dubbeltje worden omgedraaid.”

Met die achtergrond kan Schrijnemakers alleen maar vrolijk worden van het behoud van de hoogstambomen. „Rij op dit moment door het Heuvelland. Dat ziet er fantastisch uit.”

Maar de afzetmogelijkheden voor hoogstamfruit zijn beperkt, geeft Schrijnemakers toe. Zijn veiling wil het niet hebben. En als hij beter naar de boomgaarden kijkt, doet zijn hart ook vaak pijn. „Op veel plekken staan te veel bomen op een te klein oppervlak. Als je daar niets aan doet, krijg je een bos in plaats van een boomgaard. Daar is wat aan te doen door na een jaar of tien een deel van de bomen om te zagen. Belangrijker is het onderhoud: snoeien, fruitkanker uit de boom zagen, voedingsstoffen toevoegen. Aan spuiten ontkom je ook niet. Ook op hoogstambomen groeien veredelde rassen.”