Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Plagen en revoluties

Natuurgeweld kan hard aankomen, maar is niet beslissend bij sociale verandering, zegt historicus Bas van Bavel.

Sint Elizabethvloed in de Zuid-Hollandse Waard, 1421. Sint Elisabeth vloed in de Zuidhollandse Waard, Nederland 1421. Uit Wagenaars Vaderlandse Hist. 2e druk
Sint Elizabethvloed in de Zuid-Hollandse Waard, 1421. Sint Elisabeth vloed in de Zuidhollandse Waard, Nederland 1421. Uit Wagenaars Vaderlandse Hist. 2e druk

Aswolken die de zon verduisteren, roodgloeiende lavastromen. Het is begrijpelijk dat mensen uitbarstende vulkanen door de eeuwen heen beschouwden als aanzeggers van naderend onheil. Net als stormvloeden, aardbevingen en orkanen. In het Boek der Openbaringen belichamen de Ruiters van de Apocalyps plagen die we nu natuurrampen zouden noemen. Voor de Bijbelschrijvers waren zij de voorboden van de jongste dag. Javanen van de oude stempel beschouwen vulkaanerupties als tekenen dat de kosmische harmonie is verstoord omdat de heerser niet langer heerst.

Een moderne variant van deze onheilslezingen is de opvatting van sommige historici dat natuurgeweld een drijvende kracht is achter ingrijpende sociale veranderingen. “Bij vlagen,” zegt historicus Bas van Bavel, “is de invloed van natuurrampen onderwerp van historisch onderzoek. In de jaren zeventig was het populair om te kijken naar het effect van stormvloeden op de middeleeuwse samenleving. En menig historicus ziet de pestepidemie die in de 14de eeuw in Europa woedde als het begin van een sociale omwenteling.”

Van Bavel is hoogleraar sociale en economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij houdt zich bezig met langetermijnveranderingen in economie en samenleving. Deze maand verscheen zijn nieuwe boek Manors and Markets – Economy and Society in the Low Countries 500-1600. Van Bavel is het oneens met vakgenoten die aan natuurgeweld een beslissende invloed toekennen. “Natuurrampen hebben gevolgen voor mens en economie, maar op middellange en zeker op lange termijn is hun effect gering.”

FRANSE REVOLUTIE

Dezer dagen werd weer gesuggereerd dat de uitbarsting, op 8 juni 1783, van de IJslandse vulkaan Laki heeft bijgedragen tot de Franse Revolutie van 1789. Het verband is volgens Van Bavel heel zwak. “Voor de onrust op het Franse platteland waren de aswolken van de Laki en de misoogsten die daarvan het gevolg waren niet meer dan een vonk. In veel andere gebieden in het noordwesten van Europa werd de landbouw in 1783 ook getroffen, maar daar was veel minder onrust. De dieper liggende oorzaak van de revolutie was de sociale spanning die in de loop van decennia was opgebouwd. In Frankrijk gingen de boeren gebukt onder hoge belastingen, de bevolking groeide snel en veel boerenfamilies stond het water aan de lippen.”

Om te illustreren dat natuurrampen onder verschillende verhoudingen uiteenlopende gevolgen hebben, noemt Van Bavel de aardappelziekte van het midden van de 19de eeuw. “Overal in Europa mislukte de oogst, maar alleen in twee gebieden leidde dit tot massale sterfte: Ierland en Vlaanderen. In Ierland viel een miljoen doden en ook in Vlaanderen was hongersnood. Door een combinatie van factoren: een enorme bevolkingsgroei, versnippering van boerenbedrijven en afroming van het toch al geringe landbouwoverschot door de stedelijke elite in Vlaanderen en de Engelse elite in Ierland. Dát dreef boeren tot de rand van de hongerdood. En de aardappelziekte was net het zetje dat ze er overheen duwde. In andere landen van noordwestelijk Europa, zoals Nederland, waar de plattelandsbevolking op een veel hoger welvaartsniveau leefde en veel meer mogelijkheden had om zich aan te passen aan een ramp als de aardappelziekte, trad dit effect niet op.”

PESTEPIDEMIE

De uitwerking van natuurrampen, zegt Van Bavel, wordt bepaald door de verhoudingen tussen mensen. Als voorbeeld noemt hij de Zwarte Dood, de pestepidemie die in 1348-’49 eenderde tot de helft van de Europese bevolking doodde. De bacil was afkomstig uit Centraal-Azië, werd door steppenvolken naar het westen gebracht en kwam met een Italiaans schip uit Constantinopel naar Europa. “Het was misschien wel de allergrootste catastrofe uit de ons bekende geschiedenis. Sommige historici zien daarin de verklaring voor het uiteenvallen van feodale domeinen en de verdwijning van de horigheid op het platteland. Want, redeneren zij, er waren opeens veel minder mensen, waardoor de onderhandelingspositie van boeren tegenover de heren veel sterker werd en zij hun vrijheid konden afdwingen. De desintegratie van het middeleeuwse systeem van horigheid en heerlijkheden wordt door nogal wat historici toegeschreven aan de pest.”

Van Bavel deelt die opvatting niet. “Je kunt dit heel makkelijk ontkrachten met vergelijkend onderzoek. Daaruit blijkt dat de ene samenleving heel anders reageerde op de Zwarte Dood dan de andere. Vooral Engelse historici kennen grote gevolgen toe aan de epidemie. Zij redeneren vanuit de Engelse situatie. Daar vielen na de Zwarte Dood, aan het einde van de 14de eeuw, de domeinen uiteen, verdween de horigheid, kwamen markten op en ontstond pacht, een systeem geboren uit vrije onderhandeling tussen grondeigenaar en boer. Maar in Nederland, in Vlaanderen en Noord-Frankrijk deden al die ontwikkelingen zich niet voor ná de Zwarte Dood, maar al daarvoor, toen er geen sprake was van schaarse arbeid. De bevolkingsaantallen waren toen juist hoger dan ze in de duizend jaar daarvoor waren geweest. En die ontwikkeling naar meer vrije pacht en uiteenvallende domeinen ging na de pestepidemie gewoon door.”

De recente ontwrichting van de Europese luchtvaart door de uitbarsting van de gletsjervulkaan Eyjafjallajökull roept de vraag op hoe kwetsbaar de moderne wereld is voor natuurrampen.

Van Bavel: “De grootste veranderingen in West-Europa van de afgelopen duizend jaar waren de opkomst van de markt, die geleidelijk het dominante mechanisme van ruil en toewijzing van geld en hulpbronnen werd, en de verbetering van de transporttechnologie. Die hebben er samen voor gezorgd dat schommelingen in voedselprijzen als gevolg van natuurrampen gedempt worden. Door het samenspel van betere transportmogelijkheden en marktintegratie worden lokale prijsverschillen verevend. Zo is de invloed van natuurrampen, die vaak een lokaal, regionaal of hoogstens een nationaal effect hebben, verminderd. Zou dat niet zo zijn, dan zouden veel meer mensen sterven van de honger.”

HONGERSNOOD

Maar Van Bavel ziet ook een negatieve ontwikkeling. “De markt gaat gepaard met grotere verschillen tussen rijk en arm, en de armen zijn kwetsbaarder geworden voor natuurrampen. Vlaanderen rond het midden van de 19de eeuw is een navrant voorbeeld. Het lag in het meest geürbaniseerde deel van Europa, vlakbij grote graanmarkten als Antwerpen en Gent en was totaal geïntegreerd in de markt. Toch trad nog in het midden van de 19de eeuw massale hongersnood op door het mislukken van de aardappeloogst. Dat kwam juist door die marktintegratie. In de late Middeleeuwen konden deze boeren nog landbouw bedrijven voor de eigen behoeften en heel diverse producten verbouwen. Wie voor de markt gaat produceren, moet zich specialiseren en als dan de oogst mislukt, ben je als boer de klos. Die kwetsbaarheid vereist een sterk maatschappelijk tegenwicht waarin naast een economische ook een maatschappelijke afweging wordt gemaakt.”

Regulering, kortom, en herverdeling. “Het probleem is dat we dit op nationaal niveau goed kunnen, maar dat we daar op wereldniveau helemaal niet in slagen. In Latijns-Amerika en Afrika worden ook boeren die nog half zelfstandig zijn gedwongen voor de markt te produceren en zich over te leveren aan de productie van één marktgewas. En daardoor worden zij veel kwetsbaarder voor de ecologische veranderingen die nu optreden dan zij zouden zijn geweest als zij hun eigen afweging hadden gemaakt.”