Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Kennis... "is onmisbaar voor verheffing en emancipatie" (PvdA), "levert vrije en actieve burgers" (GroenLinks) " die verantwoordelijkheid willen en kunnen nemen" (D66) "met respect voor ieder individu" (VVD) "in een socialere samenleving

Kennis lijkt voor de politiek een magische formule maar partijen zien het slechts als instrument. Straks komt kennis toch weer achteraan, vrezen Robbert Dijkgraaf en Louise O. Fresco

Dijkgraaf is president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en lid van het Innovatieplatform, Fresco is kroonlid van de SER en lid van de KNAW. Beiden zijn universiteitshoogleraar aan de Universiteit van de Amsterdam. Met dank aan Rens van Tilburg, AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid)

Kennis heeft op dit moment vele vrienden. Zo lijkt het althans als je de verkiezingsprogramma’s doorneemt. Geen programma zonder fraaie woorden over het belang van onderwijs en onderzoek. Het CDA markeert „kennis en innovatie als cruciaal voor toekomstige welvaart en werkgelegenheid”. De PvdA vindt dat „ons onderwijs tot de top-5 van de wereld moet behoren”. Volgens de VVD moet de economie het in de toekomst hebben „van onze belangrijkste grondstof: kennis”. D66 verklaart onderwijs zelfs tot „absolute topprioriteit”. Al eerder sprak de Tweede Kamer unaniem de ambitie uit om het Nederlandse onderwijs en onderzoek terug te brengen naar de top-5 van de wereld.

Het is mooi dat de wind nu eindelijk uit de goede richting waait. De afgelopen decennia hebben weinig sectoren zozeer geleden onder bezuinigingen en afkalving van hun positie als onderwijs en onderzoek. Kennis werd vooral als een kostenpost gezien en niet als de investering die het is. De gevolgen zijn desastreus: sinds eind jaren tachtig is Nederland op de wereldranglijsten gekelderd. Was een plaats bij de eerste drie gewoon, nu hangen we met de toppen van onze vingers aan de tiende trede van de ladder. Onderzoek en onderwijs zijn door hun aard kwetsbaar, een broze coalitie van vele spelers met gefragmenteerde middelen en aansturing. Basisscholen, universiteiten en industriële laboratoria hebben weinig gemeen. De opbrengsten zijn hoog, maar diffuus en onzeker. Een dankbaar object dus voor bezuinigingen en ondoordacht ingrijpen van bovenaf. Waar banken wankelen of zelfs omvallen, brokkelt kennis ongemerkt, steentje voor steentje, af.

De politieke partijen willen breken met deze jarenlange trend. Eerder al verenigden de belangrijkste maatschappelijke organisaties, waaronder de vakbonden en werkgevers, zich rondom de Kennisinvesteringsagenda – een langetermijnvisie gestoeld op het besef dat iedere ketting zo sterk is als zijn zwakste schakel. Zo wordt de waarde van kennis steeds zichtbaarder, al heeft iedereen zijn eigen beeld. Voor de een schuilt de waarde in een betrokken docent die achterstandsleerlingen een kans biedt, voor de ander is het een toponderzoeker die de wereldpers haalt, en een derde ziet een jonge starter voor zich die de nieuwe TomTom wil uitvinden.

Er is de laatste jaren een ontzagwekkende stapel rapporten verschenen over de kennissector, met als voorlopige laatste toevoegingen het rapport Veerman en de economische agenda van het Innovatieplatform. Allemaal benadrukken ze het belang van kennis. Maar consensus over dat belang is onvoldoende. Kennis lijkt voor de politiek nu een magische formule, het blanke canvas waar iedereen naar believen het zijne op kan projecteren. Dat blijkt als we de verkiezingsprogramma’s nader bekijken met het oog op een werkbaar regeerakkoord: dan worden onmiskenbare verschillen in visie evenals lacunes zichtbaar.

Om met het moeilijkste maar ook het belangrijkste punt te beginnen: de middelen. Fijn dat in tijden van enorme bezuinigingen niemand wil beknibbelen op onderwijs en onderzoek. Maar niet bezuinigen is niet voldoende. Realisatie van de top-5 ambities vraagt grote investeringen. De top-kennislanden besteden verhoudingsgewijs, per 16 miljoen inwoners dus, (publiek en privaat) 5 tot 6 miljard euro meer dan Nederland . D66, GroenLinks en de VVD leggen de financiële lat op 2,5 miljard extra . De SP en de Christen Unie volgen met 1,5 en 1,35 miljard. Helaas noemen PvdA en CDA nog geen concrete bedragen, al spreken ze wel de intentie uit in onderwijs te investeren. De financiële kennisparagraaf van het toekomstige regeerakkoord is dus behoorlijk wankel.

In de inhoudelijke onderwijsvoorstellen is meer overeenstemming zichtbaar. Alle partijen geven financieel de voorkeur aan primair en voortgezet onderwijs. Opvallend is de roep om enerzijds vrijheid voor docenten en anderzijds landelijke toetsen en snelle ingrepen bij slecht presterende scholen. Scholen moeten terug naar hun kerntaken (CDA) en vooral ook weer gewoon lesgeven in spellen en rekenen (VVD). Deze flinke taal roept wel de vraag op wat er met al dat toetsen nog overblijft van de vormende taak van onderwijs die toch ook nadrukkelijk geroemd wordt.

Vrij algemeen is de vraag naar meer maatwerk in het onderwijs, of dat nu is om achterstanden weg te werken of om excellente leerlingen uit te dagen.

Het hoger onderwijs lijkt aan te koersen op een sociaal leenstelsel. Een ruime meerderheid van de partijen is voor afschaffing van de basisbeurs; alleen het CDA en de SP zijn nog tegen. Ons lijkt dat een eigen bijdrage van studenten aan hun toekomst gepast is en motiverend kan werken. Cruciaal is dan wel dat het zo bespaarde geld voor 100 procent in kwaliteitsverbetering wordt geïnvesteerd en dat is beslist geen gelopen race. Dat er veel te verbeteren valt, vooral voor ambitieuze studenten, maken de programma’s wel duidelijk. Er is brede steun voor meer contacturen, honoursprogramma’s en andere intensiveringen van het onderwijs, al is er over de middelen weinig helderheid.

Wat het onderzoek en innovatie betreft zien we overal de roep om meer regie en profilering: meer geld voor de beste onderzoekers, vaak in specifieke gebieden en liefst daar waar economische en maatschappelijke toepassingen binnen handbereik liggen. Hiervoor komen vooral de aardgasbaten in beeld. Terecht, want die kunnen met meer rendement en visie worden besteed. Het CDA constateert dat „echte topuniversiteiten ontbreken” en dat meer „differentiatie, specialisatie en maatwerk” nodig zijn. D66 ziet graag ‘centres of excellence’ in plaats van „versnippering over de polder”. Ook de PvdA wil „kritisch omgaan met overlap tussen onderzoeksinstellingen” en meer focus bereiken door onderzoeksmiddelen selectief aan de beste onderzoeksgroepen toe te wijzen (en niet uitsluitend aan de beste onderzoekers, wat op dit moment het beleid is). Consensus over profilering dus, maar niet over welke onderzoeksgebieden deze extra steun verdienen. Het CDA wil een met een eigen budget versterkte opvolger van het Innovatieplatform „om de strategische kennis- en innovatieagenda te coördineren en te implementeren” en noemt de economisch gedreven sleutelgebieden plus de life sciences en de gezondheidszorg. De VVD zet in op de biobased economy als kans voor Nederland in de mondiale kenniseconomie.

Bij dit alles baart het ons zorgen dat in alle partijvoorstellen de balans tussen stimuleringsgebieden en de brede basis van het fundamentele, ongebonden onderzoek onduidelijk blijft. Juist in het vrije onderzoek is de laatste jaren de soep erg dun geworden. Vele onderzoeksgroepen zijn inmiddels vel over been. In onze ogen vraagt goed beleid een dubbelslag van zowel stimulering van specifieke sectoren als het aansterken van het ongebonden onderzoek. Op lange termijn kunnen diepe ideeën de grootste, onverwachte toepassingen vinden.

In de (concept)verkiezingsprogramma’s spreekt vooral een instrumentele of ideologische benadering: kennis is nodig voor de arbeidsproductiviteit, voor de internationale concurrentiepositie, voor de sociale cohesie of juist voor de differentiatie. Kennis is onmisbaar voor „verheffing en emancipatie” (PvdA) en levert „vrije en actieve burgers” (GL) die „verantwoordelijkheid willen en kunnen nemen” (D66) met „respect voor ieder individu” (VVD) in een „socialere samenleving” waarin mensen meer bereid zijn tot solidariteit (CDA).

Kennis is inderdaad dat alles, maar nog veel meer. Het is een integraal onderdeel geworden van alle sectoren in onze maatschappij, zoals landbouw, energie en gezondheid. Burgers zijn op zoek naar betrouwbare informatie om beslissingen te nemen. Er is onderzoek nodig om kennis te verkrijgen en onderwijs om die kennis te kunnen bevatten. Daarmee overstijgt kennis ook de Haagse departementale indeling. En dat is wat in de partijprogramma’s nog ontbreekt: een overkoepelende visie op de waarde van kennis mét een bijbehorend beleid. Kennis is niet alleen belangrijk in de utilitaristische en ideologische zin, als middel tot economische groei of voorwaarde voor integratie. Zonder kennis is er geen beschaving en geen geschiedenis.

Het onderwerp kennis staat dus op alle agenda’s. Dat is winst. Maar goede intenties alleen zijn onvoldoende en een werkbare coalitie ligt nog niet echt klaar. De financiële onderbouwing is onduidelijk en schiet bij sommige partijen echt tekort. Bovendien wordt er geschermd met efficiëntieverbeteringen. Het grootste risico is dat bij de coalitiebesprekingen investeringen voor het ene onderwerp door bezuinigingen op het andere worden gerealiseerd. De ervaring leert dat als het echt dringen wordt, anderen vooraan het loket komen te staan. Natuurlijk is verkiezingstijd niet het moment dat partijen consensus zoeken. Maar als er geen gezamenlijk gedragen visie gevonden wordt, gaan de ‘vrienden’ na 9 juni weer huns weegs en blijft kennissector met lege handen achter.