'Ik zoek wel het drama maar niet het ongeluk'

René Burri fotografeerde sinds 1955 vele beroemdheden en talloze oorlogen. Soms fotografeerde hij niet. „Ik wil mensen niet degraderen. Je moet als fotograaf leren om het gebruik van je camera te beheersen.”

School voor doofstomme kinderen in Zürich, Zwitserland, in 1955. De kinderen leren te horen door middel van vibraties. Met hun vingertoppen proberen ze het geluid van de piano te voelen. De serie betekende het debuut van Burri bij het fotoagentschap Magnum en zijn eerste publicatie in het Amerikaanse weekblad ‘Life’. René Burri/Magnum Photos SWITZERLAND. Zurich. 1955. Special school for deaf-mute children that teaches them to hear through their vibratory senses. Music education. Children try to hear with their fingertips the lively rythm played on the piano. Contact email: New York : photography@magnumphotos.com Paris : magnum@magnumphotos.fr London : magnum@magnumphotos.co.uk Tokyo : tokyo@magnumphotos.co.jp Contact phones: New York : +1 212 929 6000 Paris: + 33 1 53 42 50 00 London: + 44 20 7490 1771 Tokyo: + 81 3 3219 0771 Image URL: http://www.magnumphotos.com/Archive/C.aspx?VP3=ViewBox_VPage&IID=2S5RYDZ2LSO9&CT=Image&IT=ZoomImage01_VForm
School voor doofstomme kinderen in Zürich, Zwitserland, in 1955. De kinderen leren te horen door middel van vibraties. Met hun vingertoppen proberen ze het geluid van de piano te voelen. De serie betekende het debuut van Burri bij het fotoagentschap Magnum en zijn eerste publicatie in het Amerikaanse weekblad ‘Life’. René Burri/Magnum Photos SWITZERLAND. Zurich. 1955. Special school for deaf-mute children that teaches them to hear through their vibratory senses. Music education. Children try to hear with their fingertips the lively rythm played on the piano. Contact email: New York : photography@magnumphotos.com Paris : magnum@magnumphotos.fr London : magnum@magnumphotos.co.uk Tokyo : tokyo@magnumphotos.co.jp Contact phones: New York : +1 212 929 6000 Paris: + 33 1 53 42 50 00 London: + 44 20 7490 1771 Tokyo: + 81 3 3219 0771 Image URL: http://www.magnumphotos.com/Archive/C.aspx?VP3=ViewBox_VPage&IID=2S5RYDZ2LSO9&CT=Image&IT=ZoomImage01_VForm ©Rene Burri / Magnum

‘Vliegen. Ze waren overal op de boerderij van mijn grootvader. Als jongetje van zeven zat ik vaak naar ze te staren. Ik concentreerde me en dan, ineens, TJAK!, ving ik er een met mijn hand. Ik denk dat ik op dezelfde manier fotografeer.”

Magnumfotograaf René Burri (Zurich, 1933) zit in de Kunsthal in Rotterdam. Elegant gekleed, met een zwarte hoed op en een kleine digitale Leica bungelend om zijn nek, vertelt hij over het ‘onderbewuste’: over hoe hij als kind al gedachteloos allerlei dingen deed die hij later, als fotograaf, opnieuw zou aanwenden. „Ik denk dat ik twee kanten heb. Mijn moeder, een Duitse vrouw, was snel van geest en heel energiek. Mijn vader, een Zwitser, was juist filosofisch ingesteld. Beide kanten heb ik in mij. Ik kan rustig een situatie overzien. Maar als er dan ineens iets gebeurt, sla ik toe. Als een samoerai. Of een cowboy!” Burri spreekt de woorden grinnikend uit, zonder enige vorm van arrogantie of ironie. Hij is wie hij is: een wereldberoemd fotograaf met een opgewekt gemoed en een omvangrijk oeuvre dat ruim een halve eeuw bestrijkt.

Rondom Burri hangt een selectie van ruim tweehonderd foto’s vol hoogtepunten uit zijn carrière. Het retrospectief bestaat uit vintage prints en persoonlijke documenten. De expositie begint met een snapshot van Winston Churchill. Het is een foto die Burri op 13-jarige leeftijd maakte met de Kodak camera van zijn vader. Daarnaast hangen vroege beelden uit Duitsland en Italië en in de andere ruimtes Burri’s beroemde stadsgezichten van Sao Paolo en portretten van Alberto Giacometti, Che Guevara en Pablo Picasso. Wie door de zalen wandelt, ziet een bewogen leven en wie met Burri spreekt kan niet anders dan concluderen dat deze levenslustige plattelandsjongen wel over de Zwitserse bergen moest klimmen om de rest van de wereld te ontdekken.

„Om het nog een keer over dat onderbewuste te hebben, mijn vader was chefkok in een restaurant”, zegt Burri. „Hij bracht vaak allerlei exotisch voedsel mee naar huis: oesters, kreeften, aal. Mijn zus vond die beesten smerig, maar ik was nieuwsgierig, ik raakte ze aan, ik wilde weten waar ze vandaan kwamen. Het was toen al duidelijk dat ik weg wilde, op zoek naar de oorden waar die beesten vandaan kwamen. Ik droomde over Mexico.”

Na school volgde Burri vanaf 1949 een opleiding aan de Kunstgewerbeschule in Zürich. Daar kreeg hij les van fotografen als Alfred Willimann en Hans Finsler. Vooral Finsler had invloed op Burri. Als aanhanger van de esthetiek van de ‘Nieuwe Zakelijkheid’ legde Finsler bij het fotograferen veel nadruk op kadrering en lijnvoering. „Hij had een zeer grafische blik”, zegt Burri. „Bij hem was niets spontaan. Alles ging om vorm. We hebben eindeloos veel eieren moeten fotograferen.”

Geïntrigeerd door de fotografie, maar ook gegrepen door film en schilderkunst, experimenteerde Burri erop los. „Eigenlijk wilde ik het liefst kunstschilder worden, maar ik vond mijzelf niet goed genoeg. Dat gevoel werd alleen maar erger toen ik voor het eerst het werk van Picassso had gezien.” In 1953 zag Burri diens Guernica op een expositie in het Palazzo Reale in Milaan. „Door de bombardementen was een groot deel van het gebouw beschadigd. Maar dat overweldigende schilderij stond daar, midden tussen de ruïnes. Ik heb er foto’s van genomen en er een boekje van gemaakt. Daarmee ben ik in 1955 naar Parijs gegaan. Ik wilde dat boekje aan Picasso geven.”

Burri’s poging om de beroemde Spaanse schilder te ontmoeten mislukte. Na een week besloot hij zijn geluk te beproeven bij het beroemde fotoagentschap Magnum. „In Zwitserland had ik een serie gemaakt over muziekles aan doofstomme kinderen. De foto’s liet ik zien aan een Spaanse fotoredacteur die achter de balie bij Magnum zat. Zij ging razendsnel door mijn foto’s heen en vroeg: heb je niets anders? Ik liet haar een paar contactvellen zien. Ze pakte een rode pen en begon hier en daar een aantal afbeeldingen te omcirkelen. Ze zei: druk maar af en stuur ze op. Een paar minuten later stond ik buiten. Ik dacht bij mezelf: dat is een goede manier om een jonge fotograaf de deur uit te werken.”

Teleurgesteld vertrok Burri naar Zwitserland. De afdrukken stuurde hij na een paar weken richting Parijs. Een paar maanden later verscheen er een envelop op zijn deurmat. „Daarin zat een editie van het Amerikaanse weekblad Life. Ik bladerde er doorheen en ineens zag ik mijn foto’s staan. Daaronder stond: René Burri/Magnum. Ik kon mijn ogen niet geloven.”

Burri werd datzelfde jaar toegelaten tot Magnum. Onder toeziend oog van David ‘Chim’ Seymour, directeur en medeoprichter van het agentschap, werd hij meteen in het diepe gegooid. „In 1956 stuurde David me naar Egypte om de laatste boottocht door het Suezkanaal vast te leggen. De reportage slaagde, maar de foto’s, die ik per vliegtuig moest toesturen, bleven per ongeluk achter in een laatje op het vliegveld in Zürich. Ik mistte de deadline voor Paris Match. David was woedend. Hij gilde: ‘Dit is ongehoord! Ik wil je nooit meer zien!’” Burri haalt zijn schouders op. „Ik moest veel leren in die tijd. Het was vallen en opstaan. Gelukkig hebben David en ik die ruzie nog wel bijgelegd. Een maand later ging hij de Suezcrisis verslaan en werd hij doodgeschoten in Egypte.”

Na Egypte volgden nieuwe opdrachten. Bij iedere grote politieke en sociale gebeurtenis was Burri van de partij. Hij reisde naar Pakistan, versloeg de oorlogen in Vietnam en Zuid-Korea, volgde de spanningen van de Koude Oorlog en de revolutie in Cuba. Hij portretteerde staatshoofden maar fotografeerde ook opvallend vaak dagelijkse straattaferelen: prostituees in Seoul, boerenfamilies in het zuiden van Slowakije, krijgsgevangen met één been, strompelend op krukken door de straten van Saigon. Het zijn beelden vol compassie, soms sober, soms humoristisch, maar altijd met een zekere gratie.

Ondanks het grote aantal conflictsituaties is het duidelijk dat Burri er niet voor kiest om extreem leed vast te leggen. „Ik hou van mooie beelden”, zegt hij. „Maar mooie composities van dode mensen, dat heeft mij nooit aangesproken. Ik ben niet het soort fotograaf die zich met overgave in levensgevaarlijke situaties stort.”

Het inzicht dat hij niet, zoals fotografen als Robert Capa of Larry Burrows, voor oorlogsverslaggeving in de wieg was gelegd, kwam in 1963 in Vietnam. „Ik vloog met de Amerikanen mee in een helikopter richting de Mekong Delta. Daar kwamen we middenin een strijd terecht. Het was levensgevaarlijk. Vlak voordat we weer zouden vertrekken, zag ik een westerse man op de grond liggen. Ik trok hem de helikopter in. Hij was fotograaf. Ik vroeg: heb je foto’s kunnen maken? Hij grijnsde en schudde zijn hoofd van niet. Zijn camera hing onuitgepakt om zijn nek. Daarna trok hij zijn broekspijp omhoog en toonde mij zijn houten been. Hij zei: Dien Bien Phu. Hij was er alleen maar bij vanwege de actie.”

De gebeurtenis wees Burri op de verslavende werking van oorlog. „Het is alsof je in een film zit. Ik heb herhaaldelijk in gevaarlijke situaties gezeten, maar ik realiseerde me al snel: dit is niet mijn manier van werken. Ik zoek wel het drama maar niet het ongeluk.” Om zijn woorden kracht bij te zetten, wijst Burri naar een aantal grote kleurafdrukken dat in de zaal hangt. Eén is een abstract beeld uit 1991 van een kapotgeschoten, kleurig interieur van een gebouw. „Dit is een bordeel in Libanon, vlak na het einde van de burgeroorlog. De kleuren, de lijnen, het doet me eigenlijk nog het meest denken aan een schilderij van Rothko. Hij toont ook iets met bijna niets.”

Wat dat betreft voelt Burri weinig affiniteit met James Nachtwey, een Amerikaanse oorlogsfotograaf, bekend door de heftige, vaak ook esthetische wijze waarop hij het wereldleed in beeld brengt. „Toen ik hem leerde kennen dacht ik aanvankelijk dat hij was beschadigd door de oorlog. Maar na een tijdje dacht ik: dit is een beschadigde man die naar de oorlog gaat. Je kunt er als fotograaf voor kiezen om alleen die destructie te tonen, maar dat wil ik niet. Het gaat mij erom dat je op een meer symbolische wijze kan laten zien wat oorlog met een mens doet. Vlak na de Tweede Wereldoorlog heb ik wel het gevoel gehad dat de wereld niet meer kon worden opgebouwd. Maar toen zag ik in München een jongen op straat soep koken in een oude SS-helm. Dat beeld trof mij: uiteindelijk gaat het leven altijd door. En zo kijk ik er nog altijd tegenaan. Ik ben een onverbeterlijke optimist.”

Burri gelooft niet dat confronterende beelden van menselijk leed uiteindelijk een nuttige werking hebben op de toeschouwer. „Foto’s kunnen de wereld niet veranderen. Je kunt wel beelden maken waardoor anderen een meer verlichte visie op die wereld krijgen. Dat is wat ik doe. Ik wil momenten vastleggen die nooit meer terugkomen. Ik wil iets zeggen, situaties beschrijven. Maar ik wil mensen niet degraderen. Je moet als fotograaf leren om het gebruik van je camera te beheersen.”

Het gevolg is dat Burri geregeld zijn camera niet heeft gebruikt op momenten dat hij wel een interessante foto had kunnen maken. „Ik was in de Sinaï gedurende de zesdaagse oorlog. Om mij heen was de woestijn, er waren kamelen en brandende tanks. Ineens zag ik, ergens uit het zand, een zwarte hand omhoog steken. Ik had het gevoel alsof mijn hart uit mijn werd lijf gerukt. Ik kon er geen foto van nemen.”

Ook een ander, minder huiveringwekkend moment staat hem nog levendig voor de geest. „Eind jaren vijftig wandelde ik met mijn camera aan de westkant van Manhattan. De straat was verlaten, afgezien van een vrouw die mijn kant opliep. Ik keek om mij heen maar er was niemand, ze wandelde, met een grote glimlach op haar gezicht, recht op mij af. Het was Greta Garbo. Ik bleef staan terwijl ze langs me heen liep. Ik had een foto kunnen nemen, maar ik kon het niet. Ik had mezelf een enorme sukkel gevonden als ik het wel had gedaan. Het voelde niet waardig.”

Bij Garbo liet Burri verstek gaan, maar er zijn heel wat beroemdheden die hij uiteindelijk wel fotografeerde. Een van de publiekstrekkers van de expositie is een beroemd portret van Che Guevara. De foto toont de commandant die, met een zelfingenomen blik en een dikke sigaar in zijn mond, trots de wereld inkijkt. „Voor mij was de situatie heel gunstig. Ik was mee met een Amerikaanse journaliste en Guevara was erop gebrand om deze dame de waarheid te vertellen. Ze voerden een felle discussie, Che was levendig aan het gesticuleren, het leek wel een bokswedstrijd. Ik heb een hele serie foto’s kunnen maken.”

Wel viel het Burri op hoe zenuwachtig de commandant was. „Guevara was op het hoogtepunt van zijn macht. Hij was minister van Industrie en president van de nationale bank. Hij was heel zeker van zichzelf, maar ook erg nerveus. Hij wilde de blindering die voor de ramen hing, niet openen. Hij leek wel een tijger die in een kooi zat opgesloten. Ik dacht: die blijft hier niet lang meer. Dat was ook zo. Ruim een jaar later was hij vertrokken naar Congo en Zuid-Amerika.”

De foto van Guevara maakte Burri op slag beroemd. En, net als het iconische beeld van zijn collega Alberto Korda uit 1960, stuit hij nog steeds, overal ter wereld, op prints van deze foto. „Ik zie het terug op T-shirts, luciferdoosjes, zelfs condoomverpakkingen. Ik zou er een aparte tentoonstelling aan kunnen wijden.” Veel kan hij tegen deze vorm van exploitatie niet doen. „Ik zou een advocaat in de arm kunnen nemen, maar daar heb ik geen zin in. Als ik tegen zo’n T-shirt aanloop, koop ik het. Dat geef ik thuis aan mijn kinderen.”

Er zijn meer portretten van beroemdheden op de expositie te zien. Zo hangt er een prachtige foto van Giacometti met gesloten ogen. En natuurlijk is daar Picasso. Nadat Burri in 1955 een eerste poging tot een ontmoeting had ondernomen, volgde twee jaar later een nieuwe kans. „Picasso was voor de stierengevechten in Nîmes. Daar zat hij in Hotel Cheval Blanc.” Burri wist met een groep gasten de hotelkamer van de schilder binnen te komen. En daar zat Picasso op zijn bed, pratend, lachend, zingend. „Het was een magische ervaring”, zegt Burri, die de schilder later nog een aantal keer fotografeerde. „Picasso was zo energiek, hij was verschillende mensen tegelijkertijd. Het ene moment een clown, het volgende moment een zenmeester. Hij heeft me een heel belangrijk inzicht gegeven. Ik heb van hem geleerd dat je jezelf altijd opnieuw moet uitvinden.”

René Burri retrospectief. T/m 22 aug in de Kunsthal, Rotterdam. Inl. www.kunsthal.nl. Ook zijn foto’s van Burri t/m 8 mei te zien bij Galerie Wouter van Leeuwen, Hazenstraat 27, Amsterdam. Inl: www.woutervanleeuwen.com