Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

'Tacitus schreef experimenteel proza'

De Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (ca 55-120) geldt als een van de grootste schrijvers van de Latijnse letterkunde. En ook als een van de moeilijkst vertaalbare. De Nijmeegse classicus Vincent Hunink (47) stortte zich op de ‘Historiën’, het verslag van het zogeheten Vierkeizerjaar, waarin de erfenis van keizer Nero (54-68 na Chr.) betwist wordt.Het resultaat is een verbluffende vertaling, die recht doet aan de ultra-bondige stijl van de oude meester, en die zoveel mogelijk beknibbelt op lidwoorden, voegwoorden en bijwoorden.

Hunink: ‘Ik kan cryptogrammen maken, maar ik wil leesbaar blijven’ Foto Flip Franssen Nederland, Nijmegen, 9-4-2010 Vincent Hunink, vertaler van Tacitus. Foto Flip Franssen
Hunink: ‘Ik kan cryptogrammen maken, maar ik wil leesbaar blijven’ Foto Flip Franssen Nederland, Nijmegen, 9-4-2010 Vincent Hunink, vertaler van Tacitus. Foto Flip Franssen

Ik aanvaard een werk rijk aan rampen, bol staand van strijd en verscheurende opstanden, en zelfs bij vrede grimmig: het bevat vier vermoorde keizers, drie burgeroorlogen en tal van buitenlandse oorlogen, veelal beide tegelijk.

Tacitus in zijn voorwoord bij de Historiën

De vertaler: ,,Er wordt wel gezegd dat Tacitus moeilijker is dan Caesar. Om in het Latijn te lezen misschien, maar bij het omzetten in goed Nederlands maakt dat niet uit. Er bestaan geen makkelijke teksten om te vertalen. Iedere schrijver heeft zijn eigen stijl, die je zo goed mogelijk moet zien over te brengen. Ik heb filosofie van Cicero vertaald, traktaten van Augustinus, een boerenhandboek van Cato, graffiti uit Pompeii en schelmenromans van Apuleius en Petronius – er is geen verschil in moeilijkheidsgraad.

„Tacitus is dus niet de apotheose van mijn vertaalwerk, maar hij is wel mijn bewerkelijkste project. Ik hou me al vijftien jaar met hem bezig. Eerst heb ik De Germanen en zijn biografie van de veldheer Agricola gedaan, daarna zijn retorische dialogen en zijn verslag van de Bataafse Opstand, dat een groot deel van boek IV en V van de Historiën beslaat. Nu dus de hele Historiën, en in de nabije toekomst hoop ik te beginnen aan de twee keer zo dikke Annalen. Ja, die zijn een jaar of tien geleden nog vertaald, door M.A. Wes, maar dat was typisch het werk van iemand die voor oud-historici schrijft: het was een ‘expliciterende’ vertaling, met weinig aandacht voor de stijl, geen gevoel voor ritme of klank. Dat moet opnieuw.”

De dag ging verder op aan misdaad, met als laatste kwaad blijdschap daarover. Senaatszitting, bijeengeroepen door de stadspretor. […] Het forum droop nog van het bloed, lag bezaaid met lijken.

Tacitus over de situatie na de moord op keizer Galba in januari 69, Historiën I,47

‘Als literair werk zijn de Historiën interessanter dan de Annalen, die fragmentarisch zijn en vijftig jaar beslaan – van keizer Tiberius tot en met Nero. Tacitus’ verhaal van de chaos na de dood van Nero is compact en heeft een dramatische opbouw; de eerste vijfeneenhalf hoofdstukken zijn overgeleverd en die beschrijven een periode van een jaar. De laatste vertaling was van J.W. Meijer, uit 1959. Voor hem heb ik respect, maar zijn Nederlands is niet meer de taal die wij schrijven, laat staan spreken. Meijer vertaalde in statige volzinnen, hij trok iedere auteur naar de klassieke stijl van Cicero toe. Dat had ook te maken met de manier waarop in zijn tijd tegen de Oudheid werd aangekeken: als een tijdvak dat je op een voetstuk plaatste en waarmee je monumentaal moest omgaan. Dat plechtstatige heb ik geprobeerd te vermijden.”

Het bijeenzoeken van verhalen, lezers amuseren met verzinsels, acht ik ver beneden de ernst van dit werk. Anderzijds zou ik de mondelinge overlevering niet in twijfel durven trekken.

Tacitus, Historiën II,50

‘Vanuit historisch oogpunt is er van alles op Tacitus aan te merken. Hij werkte met bronnen uit de tweede hand en hij was slecht in cijfers, zoals alle Romeinse historici. Mij kan dat niet schelen. Tacitus was een senator, hij schreef in de traditie van geschiedschrijving met een senatoriële blik; maar hij was geen domme, conservatieve reactionair. Anders dan zijn voorganger Livius, die gewoon de klok wilde terugzetten naar de goede oude tijd, toen de senaat het nog voor het zeggen had, was hij geen laudator temporis acti, geen lofredenaar van het verleden. Hij besefte dat het oude republikeinse ideaal onbereikbaar was, bijstelling vergde. Vandaar dat hij in zijn boeken ook zo’n afkeer tentoonspreidt van de zogeheten stoïsche oppositie, de hardliners die bleven roepen om herstel van de Republiek. Voor Tacitus zijn de keizers een noodzakelijk kwaad, al zijn er wel eisen waaraan ze moeten voldoen.

„Misschien heeft Tacitus in zijn werk te veel aandacht voor debatten in de senaat, het Romeinse equivalent van de Haagse kaasstolp. Dat zij hem vergeven, als een van de grootsten uit de Latijnse letterkunde; hij maakt zich in elk geval nooit schuldig aan domheid en kortzichtigheid. Ik houd van literatuur waarin iets gebeurt, waarin een auteur wat uit te vechten heeft. Daarom doet het me ook niets dat Tacitus een moralist is. En die veelbesproken somberheid, dat pessimisme over de toestand in de wereld – daar word ik alleen maar vrolijk van.”

‘Denkt u soms dat de Bataven en de stammen van achter de Rijn u een warmer hart toedragen dan hun voorouders uw vaders en grootvaders? Het is altijd om de dezelfde redenen dat Germanen naar Gallië zijn overgestoken: lust, hebzucht, zin om te verkassen! Ze wilden weg uit hun moerassen en wildernis om zich meester te maken van uw vruchtbare grond en uzelf.’

Tacitus, redevoering van bevelhebber Cerialis, Historiën IV,74

‘Redevoeringen waren een belangrijk onderdeel van de Romeinse geschiedschrijving. Ik ben er niet zo’n groot liefhebber van, en bij Tacitus zijn de mooiste oneliners en retorische wendingen te vinden in de lopende tekst. Met de speeches valt het in de Historiën bovendien wel mee, ze zitten vooral in het begin – alsof Tacitus er zelf al gauw genoeg van kreeg. Voor de vertaler zijn ze wel prettig, omdat ze zijn geschreven in een opvallend andere stijl: niet alleen saaier maar ook eenvoudiger. Daarom heb ik ze cursief gezet, de lezer kan er met een gerust hart een stukje uit overslaan.

„Teksten uit de Oudheid moet je lezen in hun oorspronkelijke vorm, maar presenteren in de taal van nu, inclusief de hulpmiddelen die er in de handschriften niet bijstaan: interpunctie, alineascheidingen, tussenkopjes, een inleiding en een index. Het is een misverstand dat het omzetten van de ene taal in de andere altijd gepaard gaat met verlies; dat idee werpt een drempel voor de lezer op. Bij een vertaling maak je ook winst. Je kunt inspelen op het associatievermogen van de hedendaagse lezer; zo gebruik ik het beladen woord ‘bonussen’ voor de geldsommen waarmee keizers in spe de steun van de Romeinse soldaten kopen, en het in de Haagse politiek misbruikte woord ‘temporiseren’ in de context van laffe, besluiteloze politici. En je kunt misschien niet alle klankeffecten en alliteraties op dezelfde plaatsen handhaven, maar je kunt ze wel elders compenseren. Het gaat om het netto-effect.”

Donkere, zwaarbewolkte nacht. Snel gaat het stroomafwaarts, zonder enige tegenstand komen ze binnen de wal. Bloedbad wordt aanvankelijk bevorderd door krijgslist: kappen van tentlijnen. Soldaten raken onder hun eigen tenten bedolven, worden afgeslacht.

Tacitus over een Germaanse verrassingsaanval, Historiën V,22

‘Zoals Tacitus schreef, zo schreven Romeinen niet. Het is een kunsttaal, die heel ver aflag van het gesproken woord; hard als een laserstraal, zonder ruis. Zelfs in het proza van Sallustius, zijn voorganger in de strenge geschiedschrijving, zit veel meer rek. Het is een mooie toevalligheid dat zijn naam het Latijnse woord voor ‘zwijgend’ is; ieder woord in zijn werk is aan dat zwijgen ontworsteld. Je moet de vertaling dus zó in elkaar drukken dat het Tacitus wordt – wat in het Nederlands moeilijk is omdat je daarin zoveel kleine woordjes nodig hebt om een tekst leesbaar te houden. Het soortelijk gewicht van de woorden moest omhoog; de boosheid, de bitterheid en de oneliners moesten er messcherp uitkomen.

„Tacitus schreef een bijna experimenteel proza. Redacties van uitgeverijen houden daar niet van; ze hebben de neiging het Nederlands te normaliseren. Ik heb dus wel compromissen moeten sluiten. Als het aan mij lag, was er nog heel wat uitgegaan – lidwoorden, voegwoorden, bijwoorden. Neem een zinnetje als ‘De senaat, het volk, je kende ze niet meer terug’, waarmee het hoofdstuk over de chaos na de moord op Galba begint. Eigenlijk had dat ‘Senaat, volk, niet meer terug te kennen’ moeten zijn; maar tegen dat soort bondigheid maakte de uitgeverij bezwaar. Dat is misschien maar goed ook, want ik kan best cryptogrammen maken, maar ik wil graag leesbaar blijven. In ieder geval de komende dertig jaar. Daarna moeten de Historiën weer de revisie in – al hoop ik dat dan zelf nog te kunnen doen.”

Tacitus: Historiën (Historiae). Vertaling Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 308 blz. € 29,95 (geb.)