De vrije wil bestaat niet, zegt de neurowetenschap

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: is de ‘ik’ die wij ervaren een illusie?

Op de zin van het leven en de definitie van waarheid na is er geen enkel ander onderwerp dat filosofen de afgelopen tweeduizend jaar zo heeft beziggehouden als de vrije wil. De laatste decennia mengen ook steeds meer wetenschappers zich in het debat over deze hardnekkige filosofische kwestie: is de mens vrij om te doen en te laten wat hij zelf wil of is hij toch eerder het stuurloze product van onbeheersbare invloeden van buitenaf? In de filosofie is over die vraag nooit enige overeenstemming bereikt, maar in andere academische velden – variërend van de psychologie tot de neurowetenschap – neigt men steeds meer naar dat laatste.

Dat is voor een groot deel te danken aan de fysioloog Benjamin Libet (1916-2007), die in de jaren 70 en 80 onderzocht hoe beslissingen in de hersenen tot stand komen. Hij ontdekte dat de hersenimpuls die leidt tot een handeling circa 200 milliseconden eerder plaatsvindt dan dat de mens zich ervan bewust wordt. Zijn conclusie was dan ook dat er geen bewust wilsbesluit voorafgaat aan het menselijke handelen, maar dat, omgekeerd, de handeling voorafgaat aan het denken. Van een ‘vrije wil’ is dus geen sprake, aldus Libet: de mens kan hoogstens ‘ja’ of ‘nee’ zeggen tegen de neurologische impulsen die spontaan in zijn hersenen ontstaan.

Diezelfde stelling wordt nu ook verdedigd door de cognitiewetenschapper Victor Lamme in zijn onlangs verschenen boek De vrije wil bestaat niet (2010). Aan de hand van een aantal voorbeelden, zoals slaapwandelende moordenaars, laat Lamme zien dat onze beslissingen helemaal niet zo bewust en rationeel tot stand komen als veel filosofen lange tijd hebben verondersteld. De rede is niets meer dan een „kwebbeldoos”, zegt Lamme: hij stuurt onze besluiten niet, maar ‘becommentarieert’ ze slechts achteraf. Het idee dat mensen een ‘ik’ hebben die bepaalt wat we doen is volgens Lamme dan ook een „regelrechte vergissing”: „Het ‘ik’ is een illusie, een vreemd samenstel van functies die in eerste instantie dienen voor het functioneren in een sociale omgeving.”

Hoewel de wetenschappelijke experimenten waarop Lamme zich baseert van recente datum zijn, is de conclusie die hij eruit trekt alles behalve nieuw. Drie eeuwen voor Christus kwamen de Stoïcijnen al tot een soortgelijke conclusie. Deze Oud-Griekse filosofen hingen een zogenoemd causaal deterministisch wereldbeeld aan: zij geloofden dat de wereld en de kosmos één groot samenhangend geheel vormden waarin iedere gebeurtenis werd voorafgegaan door een oorzaak.

Daaronder vielen dus ook onze handelingen: het menselijke bestaan werd volledig bepaald door oorzakelijke wetmatigheden. Deze visie bracht de Stoïcijnen in filosofisch conflict met hun eigen ethische theorie, waarin ze de mens wél autonomie toedichtten en hem opriepen een deugdzaam leven te leiden – hetgeen onmogelijk lijkt in een gedetermineerd universum.

Deze vorm van determinisme lijkt sterk op het biologische determinisme van Libet en Lamme. Ook zij gaan ervan uit dat de mens bepaald wordt door oorzaken buiten zijn controle om. In het Stoïcijnse wereldbeeld ontbrak echter de neurologische component – het was de alomvattende kosmos waarin de loop van de geschiedenis reeds lag voorbestemd. Wat dat betreft toont de huidige wetenschappelijke kijk op het menselijke handelen veel meer gelijkenis met de visie van de Britse denker Thomas Hobbes (1588-1679).

Hij stelde als eerste denker in de westerse traditie dat ons handelen volledig werd bepaald door fysieke driften (begeerte en aversie), die geen ruimte lieten voor vrije wilsbesluiten. Beslissingen waren voor hem niets meer dan het noodzakelijke gevolg van de verlangens die hen hadden veroorzaakt. Toch liet hij wel enige ruimte voor het begrip vrijheid: de mens was ‘vrij’ voor zover zijn handelingen in overeenstemming waren met zijn verlangens. Vrijheid was voor Hobbes dus een vorm van vrijwilligheid: zolang iemand niet gedwongen werd te doen wat hij niet verlangde, was er sprake van ‘vrije wil’. Maar over de verlangens zelf hij had geen zeggenschap – analoog aan de spontane hersenimpulsen van Libet en Lamme.

Juist dát uitgangspunt staat haaks op de theorie van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804), die – samen met de rationalist René Descartes (1596-1650) – als een van de meest invloedrijke verdedigers van de vrije wil kan worden beschouwd. Volgens Kant was de mens namelijk wel in staat om zijn driften en verlangens te beteugelen, omdat hij beschikte over een rationele faculteit.

Een roker kan bijvoorbeeld – onder andere door het effect dat nicotine heeft op de hersenen – een enorme aandrang voelen om een sigaret op te steken, maar tóch besluiten om dat niet te doen. In de Kantiaanse theorie wordt de vrije wil dan ook opgevat als een causa sui – oftewel: een oorzaak van zichzelf. Zoals Kant het formuleerde: „De wil is vrij voor zover hij zichzelf de wet kan opleggen.” Niet de aandrang, maar de wil bepaalt dus uiteindelijk wat hij ‘wil’.

Dit plaatje lijkt nu door de neurowetenschap definitief achterhaald verklaard. Onderzoek laat immers zien dat de wil helemaal geen causa sui is, maar wordt aangestuurd door voorafgaande en oncontroleerbare neurologische processen. Toch is er, in filosofische zin, wel een bezwaar tegen deze conclusie aan te voeren. Dat de vrije wil niet bestaat, is namelijk een conclusie die al in de wetenschappelijke benadering van het probleem besloten zit. Ten grondslag aan de empirische wetenschap – de quantummechanica uitgezonderd – liggen immers drie fundamentele denkcategorieën: tijd, ruimte en causaliteit.

Dat betekent dat een wetenschapper ieder object van onderzoek per definitie plaatst in een tijdspanne, een locatie en een oorzakelijk verband. Op die manier verklaart hij de ‘oorsprong’ van een bepaald fenomeen of een bepaalde gebeurtenis. Met andere woorden: de empirische wetenschap is gebaseerd op het causale determinisme dat de vrije wil ontkracht. De premisse is immers dat ieder fenomeen Y op tijdstip T2 een oorzaak X op tijdstip T1 heeft. De conclusie dat iets ‘oorzaak van zichzelf’ is, is dus bij voorbaat uitgesloten: zoiets valt empirisch niet aan te tonen.

Zodra neurowetenschappers zoals Libet en Lamme de menselijke wil dus tot object van onderzoek maken – en daarmee automatisch plaatsen in een tijd (de neurologische impuls vindt 200 milliseconden eerder plaats dan de handeling), een ruimte (de hersenen) en een causaal verband (de impuls gaat vooraf aan de beslissing) – kunnen zij niet anders dan concluderen dat de wil van buitenaf gedetermineerd en dus niet ‘vrij’ is. Zou een verband tussen de externe oorzaak X (de hersenimpuls) en de gebeurtenis Y (het wilsbesluit) zijn uitgebleven, dan zou hun conclusie ook niet zijn dat de wil vrij is, maar eerder dat het onderzoek niks heeft uitgewezen.

Het voorgaande wil overigens niet zeggen dat de wetenschappelijke benadering ‘foutief’ of ‘onwaar’ is, maar wel dat ze bij voorbaat de stelling uitsluit die men zegt te onderzoeken. Daarom stelt Lamme ook dat „onverwacht gedrag” van mensen niet wijst op het bestaan van een vrije wil, maar eerder op een „falen van de voorspelmodule”: zouden we in staat zijn om „de volledige geschiedenis van een brein” in kaart te brengen, dan zouden we volgens Lamme daarmee alle eruit voortvloeiende gedragingen kunnen voorspellen. Ergo: wilsvrijheid kent geen plaats in het causale determinisme waarop het wetenschappelijke model van de wereld is gebaseerd.

Deze zienswijze is allerminst onzinnig, maar het problematische blijft dat onze alledaagse ervaring anders leert: ieder mens ervaart wel degelijk een autonome ‘ik’ die meester is over de beslissingen die hij neemt. De grote vraag is dan ook op grond waarvan de neurowetenschapper tot de conclusie komt dat die ‘ik’ niet samenvalt met het brein. Dat is immers de impliciete aanname die zowel Libet als Lamme hanteert wanneer zij stellen dat de neurologische impulsen in onze hersenen ‘buiten onszelf om’ plaatsvinden. Hoe bepalen ze dat?

Je kunt immers evengoed stellen dat die processen in onze hersenen, op het moment dat ze ons bewustzijn binnendringen, onderdeel worden van de ‘ik’ die we ervaren – en dat we er daarom controle over kunnen uitoefenen. Zou die ‘ik’ inderdaad niets meer zijn dan een „illusie”, zoals Victor Lamme schrijft, dan rest hem slechts deze vervolgvraag: wie besloot dan om dat op te schrijven? Victor Lamme of ‘zijn brein’?