Een libertijnse ziel in de slag met de gevestigde orde

Salima Belhaj was twee jaar de D66-fractie in de Rotterdamse raad. Na fikse verkiezingswinst bepleit ze een breed college. „Salima is vergevingsgezind en altijd positief ingesteld.”

Het was al na middernacht. Als een bezetene rende ze het kille centrum van Rotterdam in. Op zoek naar de man en de vrouw die kort daarvoor haar portefeuille hadden ontvreemd in een vrijwel leeg café aan het Stadhuisplein. Hijgend keerde ze na twintig minuten terug. Met lege handen. En een illusie armer. „Dat geld interesseert me niet, maar dat mensen me letterlijk achter mijn rug durven te bestelen, dat raakt me.” Salima Belhaj was naïef geweest. „Ik wil iedereen vertrouwen, maar ik kan helaas dus niet iedereen vertrouwen.”

Zo argeloos als ze op die winterse maandagavond was geweest, zo vastbesloten opereert de D66-fractievoorzitter momenteel in het politieke mijnenveld van Rotterdam. Haar partij kwam vorige maand als winnaar uit de bus in de tweede stad van Nederland: van één naar vier zetels. „Salima bepaalt straks of Rotterdam links- of rechtsom gaat”, zei menigeen op de verkiezingsavond in het stadhuis.

Maar de Nederlands-Marokkaanse koos de middenweg: ze drong bij verkenner Pieter Winsemius aan op ‘een coalitie van stedelijke eenheid’. Met behalve D66, VVD en CDA ook deelname van de twee aartsvijanden Leefbaar en PvdA. Die combinatie, goed voor 39 van de 45 zetels, zou recht doen aan de uitslag en een brug kunnen slaan in het verdeelde Rotterdam. In oud-minister Winsemius vond ze een medestander, maar de PvdA-fractie verzette zich. De ‘regenboogcoalitie’ „is voor veel PvdA’ers een brug te ver”, stelde Winsemius teleurgesteld vast. Noodgedwongen onderhandelt D66 nu met PvdA, CDA en VVD. Maar van een gelopen race is geen sprake, waarschuwt Belhaj.

Belhaj (31) symboliseert het groeiende zelfbewustzijn van D66, dat zich sinds de winst bij de gemeenteraadsverkiezingen van vorige maand duidelijk laat horen in het debat met ‘de gevestigde orde’. Ook in Amsterdam, Leiden en Dordrecht varen de sociaal-liberalen een eigen koers tijdens de coalitieonderhandelingen. Belhaj heeft een verklaring voor het eigenzinnige optreden. „Vier jaar geleden waren we de grote verliezers en zag niemand ons staan. Nu hebben al die andere partijen ons nodig. Prima, maar D66 geeft zich niet zonder slag of stoot gewonnen.”

Ook in Rotterdam niet. Tot lichte ergernis van de leiders van de twee grootste partijen, Dominic Schrijer (PvdA) en Marco Pastors (Leefbaar). In de aanloop naar de raadsverkiezingen hield Belhaj alle opties open, wetende dat haar partij zo goed als zeker een sleutelrol zou spelen bij de vorming van een nieuw stadsbestuur. „Ze praat veel, maar zegt weinig”, mopperde Schrijer na afloop van een van de vele verkiezingsdebatten. Ook Pastors kreeg „geen hoogte” van Belhaj, die zichtbaar genoot van de verwarring.

Partijleider Alexander Pechtold kon een glimlach evenmin onderdrukken, toen hij in februari op verkiezingscampagne was in Rotterdam. „Salima is ons passende alternatief voor al die kemphaantjes hier”, grijnsde hij, staande in een besneeuwde speeltuin in de deelgemeente Delfshaven. Al eerder had Pechtold – „Geef mij maar Rotterdam” – zich gemengd in het strijdgewoel in de stad waar hij als tiener het gymnasium bezocht. Toen Schrijer afgelopen najaar minzaam constateerde dat „Rotterdam geen Pechtold heeft”, schoof hij zijn vier jaar jongere broer Roland naar voren als lijstduwer. „Al redt Salima het ook wel zonder mijn broertje.”

Vier jaar geleden bezette Belhaj de tiende plaats op de D66-kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. Pechtold zegt blij te zijn dat zijn partijgenoot toen niet werd verkozen. In de smeltkroes Rotterdam is zij beter op haar plaats, stelt hij. „Ook gelet op haar afkomst uiteraard, hoewel ze dat niet als uithangbord gebruikt. Maar Salima weet als geen ander de pijnpunten van de multiculturele samenleving te benoemen.” Ze laat zich bovendien niet ringeloren, aldus Pechtold. „Verlokken en verleiden, dat is haar kracht. Elke ballon weet ze feilloos door te prikken. Ze wijst Pastors terecht als dat moet, zonder dat de onderlinge afstand te groot wordt.”

De belangstelling van Salima Belhaj voor politiek en maatschappij werd vooral gewekt door discussies die zij, dochter van Marokkaanse immigranten, als 18-jarige voerde bij de familie van haar vriend Nils Berndsen in Beverwijk. Hij is de zoon van Magda Berndsen, korpschef van de politieregio Friesland en nu nummer drie op de D66-kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. „Het ging bij ons thuis aan de keukentafel altijd ergens over, en dat fascineerde Salima enorm”, zegt Berndsen (32), die deze week namens D66 wordt geïnstalleerd als deelgemeentebestuurder in Rotterdam-Noord.

Hun relatie bleef twee jaar lang geheim. Op verzoek van Belhaj. „Salima was bevreesd voor de reactie van haar moeder.” Niet alleen was haar vriend een Nederlandse jongen, hij had ook niets met het geloof. De twee oudste dochters van het gezin Belhaj waren het huis al uit, terwijl de jongste – een zoon – na de scheiding bij zijn vader was ingetrokken. Berndsen: „Dat haar ouders gescheiden waren, was in Marokkaanse kringen al heel bijzonder. Als ze ook nog eens met een Nederlands vriendje was thuisgekomen, had ze haar moeder helemaal in een lastig parket gebracht.”

Op haar twintigste biechtte Belhaj alsnog haar relatie op. Berndsen: „Salima werd vervolgens voor de keuze gesteld: verkering uitmaken of het huis uit.” Ze koos voor haar vriend en trok bij hem in. Berndsen woonde toen al in Rotterdam en studeerde er econometrie aan de Erasmus Universiteit. Niet veel later schreef ze een brief aan haar ouders, die uiteindelijk begrip toonden. Berndsen: „Dat is ook Salima: vergevingsgezind en altijd positief ingesteld. Zij was het die de deur weer opengooide. Ik heb haar nooit één lelijk woord over haar ouders horen zeggen.”

De les die Belhaj geleerd zegt te hebben, heeft ze naar eigen zeggen nooit meer vergeten: geen dubbelleven. Nog altijd kan ze zich opwinden over „de bijna schizofrene levenshouding” van Nederlands-Marokkaanse jongeren. „Dan sta ik bij de bushalte en hoor ik zo’n gesprek tussen twee van die meiden. Enerzijds houden ze de schone schijn op tegenover hun familie, anderzijds praten ze honderduit over uitgaan, jongens en make-up. Dan denk ik: ben wie je bent, hou op met dat spastische gedoe, en durf te leven.”

Drie jaar geleden drukte het weekblad Vrij Nederland een vraaggesprek af met Belhaj, onder de kop: Kritisch moslima. Aanleiding was de commotie rondom moslimafvallige Ehsan Jami. Belhaj deed haar eigen jeugd uit de doeken: de scheiding van haar ouders, de sociale druk vanuit de Marokkaanse gemeenschap, de (tijdelijke) breuk met haar moeder. „Het voelde alsof ik uit de kast kwam.” De eerste die ze belde na het interview, was haar moeder, die als alleenstaande vrouw opklom tot commercieel medewerker bij een bank in Arnhem. „Om haar te waarschuwen, zo van: schrik niet, ik heb mijn verhaal gedaan.”

Aan de muur van Belhajs bovenwoning in Rotterdam-Noord hangen negen illustraties die alle, direct en indirect, met snoep te maken hebben. Haar opa en oma hadden een snoepwinkel, vandaar. Inspiratie put Belhaj uit teksten die ze op een krijtbord heeft geschreven: „Liefde is het enige dat na deling toeneemt”, „Mijn ambitie zit in het geven” en „Gedenk te leven”. Dat laatste houdt boezemvriend Stefan de Wit (31) haar regelmatig voor. „Salima wil voor iedereen klaarstaan, maar ze kan niet de hele wereld op haar nek nemen. Zeker niet nu haar podium steeds groter wordt. Ze moet leren af en toe ‘nee’ te zeggen.”

De Wit werd op zijn zestiende getroffen door een hersentumor. Hij herstelde. Belhaj en hij zaten destijds op dezelfde middelbare school in Heerhugowaard. „Maar veel contact hadden we niet, totdat ze op een dag voor mijn neus stond met de mededeling dat ze blij was dat ik nog leefde. Zo warm, zo puur; zij zei wat anderen alleen maar dachten.” Korte tijd later vond De Wit haar tas op het schoolplein. In haar agenda schreef hij een gedichtje. Sindsdien zijn de twee gezworen kameraden. „Ik ken veel mensen, maar niemand staat zo vrolijk en optimistisch in het leven als Salima.”

Vorig jaar maakten beiden een korte trip naar Marokko. Belhaj was „nerveuzer dan ik had gedacht”, herinnert De Wit zich. „Konden wij wel samen over straat lopen in Tanger? Was het niet verstandiger om twee aparte kamers te nemen in het hotel? Ze was aan het piekeren, ze wilde niemand voor het hoofd stoten.” Toch zocht ze de confrontatie met de douane. Want nee, haar Marokkaanse identiteitsbewijs had ze niet bij zich. Belhaj: „Ik heb serieus rekening gehouden met de mogelijkheid dat de autoriteiten me niet zouden laten gaan, als een soort statement. Of het geholpen heeft, weet ik niet, maar ik heb ze toch maar even laten weten dat ik in Nederland politiek actief ben.”

Twee jaar geleden, toen ze Christian van den Berg opvolgde als D66-eenmansfractie in de Rotterdamse gemeenteraad, viel Belhaj op door haar onbevangen stijl. Regelmatig greep ze de microfoon. „Sorry voorzitter, ik ben hier nieuw, dit gaat me te snel.” Met ingehouden woede reageerde ze op provocerende opmerkingen vanuit de Leefbaar-hoek. „Wie Salima op de kast wil krijgen, begint over de Antillianen- of de Marokkanenaanpak”, zegt haar voormalige politieke assistent Rob Wolthuis. Toch laat „deze welbespraakte dame” zich daarbij niet leiden door haar eigen dubbele nationaliteit, benadrukt hij. „Ze heeft uit de grond van haar hart een broertje dood aan dat doelgroepenbeleid waar Rotterdam zo dol op is. Iedereen is voor haar Rotterdammer, en daar hoort generiek beleid bij.”

Wie als politicus wil slagen, heeft in Rotterdam een goede leerschool. In maar weinig steden gaat het er verbaal zo fel aan toe als in de raadszaal aan de Coolsingel. Volgens Wolthuis doorstond Belhaj haar vuurdoop met verve. „Ze gooit haar hele ziel en zaligheid in de strijd, en kan eigenwijs uit de hoek komen. Niet omdat ze dat is, maar omdat ze weet waarover ze het heeft.”

Snel na haar entree kwam Belhaj in aanvaring met PvdA-fractievoorzitter Peter van Heemst, oude rot onder de Rotterdamse politici. Hij verweet haar een dubbele moraal, nadat Belhaj zich tegen „de schijnkeuze” van het burgemeestersreferendum had gekeerd. Mede door haar stem sneuvelde het voorstel. Belhaj was onaangedaan. „Laat Petertje maar lekker boos zijn, ik weet wel beter.”

Soms wekken haar optredens verbazing. Uitgerekend Leefbaar-voorman Ronald Sørensen, zelf vaak ook één brok emotie, schoot haar in januari aan na een verhit debat. Belhaj: „Ik moest me niet zo laten opnaaien, zei hij. Het was goed bedoeld, maar toen dacht ik wel: als jij dat al zegt!”

Remco Oosterhoff (ChristenUnie/SGP), ook een eenmansfractie in de vorige raadsperiode, constateert dat zijn D66-collega „de neiging heeft door te slaan in het libertijnse fundamentalisme”. Een raadslid moet niet elke sneer willen pareren, zegt hij. „Af en toe dacht ik: kom op, dit is Rotterdam, zet dingen ook eens in perspectief.”

Directeur Sjarel Ex van Boijmans van Beuningen daarentegen is lyrisch over Belhaj, die in 2,5 jaar een reorganisatie doorvoerde in zijn museum. „Zij verstaat de kunst om, bijvoorbeeld tijdens een sollicitatiegesprek, altijd die ene juiste vraag te stellen.” Belhaj belichaamt volgens hem „de nieuwe Rotterdammer”: jong, energiek en oprecht. „Je hoeft bij haar niet aan te komen met smoesjes dat je het zo moeilijk hebt, omdat je uit een allochtoon gezin komt.”

Haar verantwoordelijkheidsgevoel is sterk ontwikkeld, zegt haar – inmiddels ex-vriend – Nils Berndsen. „Bij een ruzie op straat springt zij altijd tussenbeide.” Hij maakte het diverse keren mee. „Het is bijna iets calvinistisch.” Lachend: „Maar ja, Salima is dan ook geboren in Harderwijk.”