Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Overheid moet niet zelf voor ondernemer spelen

Het marktdenken schoot afgelopen decennia zeker door. Maar dat de markt vervangen kan worden, is een vergissing, betoogt Kees van Lede.

De crisis in het mondiale financiële systeem heeft op hardhandige wijze een einde gemaakt aan de verheerlijking van de markt die het publieke discours lange tijd domineerde. De carrousel van steeds grotere financiële hefbomen en bankiers die steeds onbesuisder risico’s aangingen, is ten slotte uit de bocht gevlogen. Dat de markt het vertrouwen in zichzelf verloor en zich tot de overheid moest wenden, is niets minder dan een demasqué van het blinde marktdenken.

Ik beschouw dat als een gezonde ontwikkeling. In de afgelopen jaren is veel te lichtzinnig besloten om publieke taken naar de markt af te stoten. Belangrijke waarborgen op het beheersen van marktkrachten zijn veronachtzaamd. In het bijzonder op het gebied van cruciale infrastructuur heeft de overheid een verantwoordelijkheid die zich niet eenvoudig laat privatiseren. De spoorwegen en de nationale luchthaven Schiphol zijn zaken die de overheid tot haar core business moet rekenen.

Het zou echter een kostbare vergissing zijn om deze correctie door te laten slaan in een ongefundeerd geloof in wat de publieke sector vermag. De geschiedenis heeft aangetoond dat de overheid er bijzonder slecht in slaagt om marktgerichte taken uit te voeren. Dit betekent wat mij betreft dat de belangen in financiële instellingen die de staat als gevolg van de crisis heeft verworven, zo snel als verantwoord mogelijk weer dienen te worden afgestoten. En dat deze belangen in de tussentijd beheerd zouden moeten worden door een professioneel agentschap. Het is een illusie dat de ambtenaren op het ministerie van Financiën dit wel even naast hun lopende werkzaamheden zouden kunnen doen.

Een dergelijk agentschap dient overigens ook op gezonde afstand van de politiek te worden geplaatst. De verleiding zal anders te groot blijken om – ongetwijfeld met de beste bedoelingen – invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering. Het laatste wat we in de komende herstelfase kunnen gebruiken, is een overheid die de allocatie van investeringen beïnvloedt. Een minister of volksvertegenwoordiger is niet goed gepositioneerd om te beoordelen of een lening voor een windmolenpark verstandig is, dan wel of een doorstart van een bedrijf levensvatbaar is – ongeacht het aantal betrokken arbeidsplaatsen. In het nemen van dergelijke beslissingen is de markt veruit superieur aan de overheid.

Tegen deze achtergrond maak ik mij ook zorgen over de toenemende roep om de ontwikkeling van de economie in bepaalde ‘strategische’ sectoren te stimuleren. Hopelijk is het geheugen van beleidsmakers goed genoeg om zich het RSV-debacle te herinneren. Of we het nu sleutelgebiedenbeleid, kennisclusters of gewoon ouderwets industriepolitiek noemen: in wezen gaat dergelijk beleid ervan uit dat de staat beter dan de markt kan voorspellen waar toekomstige strategische en commerciële kansen liggen. Ambtenaren en politici die dat werkelijk geloven, lijden aan zelfoverschatting.

Dat marktkrachten beteugeld dienen te worden, behoeft dezer dagen geen betoog. Maar ook hierbij geldt dat we de blinde vlek voor de tekortkomingen van de markt niet dienen in te ruilen voor eenzelfde blinde vlek voor de tekortkomingen van overheidsregulering. Te gedetailleerde regelgeving werkt verstikkend op creativiteit en innovatie en daarmee op productiviteit en groei. Een verstandige overheid stelt heldere kaders op en laat daarna de markt doen waar ze goed in is: ondernemen. Dit betekent dat de overheid – daarbij geholpen door het bedrijfsleven – duidelijke normen moet formuleren, maar geen rol moet ambiëren in het invullen van die normen. Zo kan de overheid veel beter strenge emissienormen formuleren dan de ontwikkeling van elektrische auto’s stimuleren. Dat is niet alleen goedkoper, het levert hoogstwaarschijnlijk ook betere oplossingen op.

Met al zijn tekortkomingen is de markt nog altijd de beste garantie op welvaart die we hebben.

Kees van Lede was voorzitter van VNO, bestuursvoorzitter van AkzoNobel en is commissaris van Heineken, KLM en Sara Lee.