Langzaam wurgt Iran de bahá'í-gelovige

Iran is de bakermat van het bahá’í-geloof, maar de bahá’í’s mogen van Iran niet bestaan. Het beleid is gericht op hun eliminatie, zegt Loes Bijnen.

Verscholen achter de vervolging van de Iraanse politieke oppositie worden de bahá’í’s genadeloos onderdrukt. Zeker zestig aanhangers van het bahá’í-geloof zitten in eenzame opsluiting. De leiding zit al sinds voorjaar 2008 gevangen – morgen wordt het proces tegen hen hervat. Dagelijks worden, onopgemerkt door de wereldpers, bahá’i’s van hun bed gelicht.

Bahá’í’s mogen wat Iran betreft niet bestaan. Het officiële Iraanse beleid is gericht op hun eliminatie. In de negentiende eeuw en opnieuw na de islamitische revolutie van 1979 gebeurde dat door executie, tegenwoordig door langzame wurging van deze geloofsgemeenschap.

Iran is de bakermat van het bahá’í-geloof. In 1844 stond de ‘Báb’ op, die verkondigde dat hij de Verborgen Imam was en dat de ‘Beloofde aller tijden’ zou komen. In 1863 maakte een hoogopgeleide Pers van goeden huize, Bahá’u’lláh, bekend dat de tijd daar was en dat hij geroepen was een wereldreligie te stichten, waarin alle andere godsdiensten welkom waren. Een religie van vrede, gelijkheid van alle culturen en rassen, maar ook van man en vrouw, van vergaring van kennis die ten dienste moest worden gesteld aan de hele mensheid.

Voor moslims is Mohammed de laatste profeet. Een nieuwe profeet is uitgesloten. Er volgde een genadeloze vervolging van bahá’í’s in Iran. Tienduizenden volgelingen van Bahá’u’lláh werden geëxecuteerd. De bahá’í- gemeenschap groeide niettemin tegen de verdrukking in, zowel wereldwijd als in Iran.

Na de islamitische revolutie die in 1979 de sjah verdreef en ayatollah Khomeiny terugbracht naar Iran, begonnen niet alleen standrechtelijke executies van voormalige medestanders van de sjah, maar ook van leiders van oppositiegroepen die Khomeiny enthousiast hadden binnengehaald. De bahá’í’s, die zich nooit met politiek mochten inlaten en gezagsgetrouw waren, werden eveneens slachtoffers. In de beginjaren van het nieuwe regime zijn ten minste tweehonderd van hen vermoord.

Artikel 13 van de Iraanse grondwet erkent joden, christenen en zoroastriërs als religieuze minderheden. De grootste religieuze minderheid, de bahá’í’s, met naar schatting 300.000 volgelingen, wordt niet erkend. Het regime beschouwt hen als afvalligen en zelfs als samenzweerders die de ayatollahs ten val willen brengen. Bahá’í’s zijn rechteloos, onbeschermd, vogelvrij.

In 1993 ontdekte een rapporteur van de VN-Mensenrechtencommissie een officieel memorandum uit 1991 en publiceerde het. Dit zogeheten Golpayegani-memo, mede ondertekend door opperste leider ayatollah Ali Khamenei, was een blauwdruk voor de wurging van de bahá’í-gemeenschap in Iran. Enige punten uit het beruchte memorandum:

Kinderen kunnen slechts op scholen worden ingeschreven op voorwaarde dat zij zich niet als bahá’í’s hebben geïdentificeerd;

Jongeren moeten van de universiteiten worden verwijderd, hetzij tijdens het aanmeldingsproces hetzij gedurende het schooljaar, zodra blijkt dat zij het bahá’í-geloof aanhangen;

Politieke activiteiten van de bahá’í’s dienen aan banden te worden gelegd overeenkomstig de vigerende wetgeving en het regeringsbeleid terzake;

Mensen die zich als bahá’í’s bekendmaken, moet het recht op werk worden ontzegd.

Dit is officieel regeringsbeleid in Iran.

Lang voor de publicatie van dit memo werden van middelbare scholen en universiteiten al studenten verwijderd van wie bekend werd dat zij het bahá’í-geloof aanhingen. De meestal hoogopgeleide ouders waren begonnen hun kinderen thuis te onderwijzen. In 1987 was het Bahá’í Institute for Higher Education (BIHE) opgericht. Deze ‘Bahá’í Universiteit’, gevestigd in privéwoningen en andere particuliere gebouwen, was een doorslaand succes. Enige jaren na de oprichting stonden jaarlijks gemiddeld negenhonderd studenten ingeschreven en doceerden er honderdvijftig bahá’í-academici. Maar in 1998, aan het begin van het nieuwe schooljaar, vielen agenten van inlichtingendiensten zeker vijfhonderd huizen en gebouwen binnen waar het BIHE actief was, en namen boeken, computers en ander lesmateriaal mee.

Het BIHE is nagenoeg vernietigd. Het voltallige leiderschap van de bahá’í’s in Iran, de ‘Yaran’, zit zoals gezegd al sinds 2008 in de gevangenis en staat nu terecht in showprocessen voor beschuldigingen (zie kader) waarop de doodstraf staat.

Daarnaast zitten nog zeker zestig andere geloofsgenoten in de gevangenis en wachten negentig bahá’is op hun proces. De bahá’í-begraafplaatsen, mausolea en andere heilige plaatsen worden met de grond gelijk gemaakt. Ook dat slopen van heiligdommen zit besloten in het plan van het regime de geloofsgemeenschap systematisch te wurgen.

Ik sta volledig achter een citaat dat ik aantrof op internet: „De haat van de extremistische moellahs voor de bahá’í’s is zo intens dat zij, naar het voorbeeld van de Talibaan in Afghanistan die de immense Boeddhabeelden in Bamiyan vernietigden, voornemens zijn niet alleen de bahá’í-religie uit te roeien, maar zelfs alle sporen uit te wissen van hun bestaan in het land van hun geboorte.”

Loes Bijnen zet zich in voor mensenrechten in Iran en werkte van 1999 tot en met 2004 als mensenrechtenspecialist op de Nederlandse ambassade in Teheran.