Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Onderwijs

Een hoofddoekje is een pré

Meer dan de helft van de studenten mondzorgkunde is van niet-westerse afkomst.

Het is een betrouwbaar beroep met status, en met relatief weinig fysiek contact.

Wat dus echt zóóó vet is, zegt Chhaya Baldew: een tand trekken. „Een extractie uitvoeren”, zoals ze het zelf noemt. „Ik zit zelf altijd graag in de stoel bij de tandarts. Ik vind het heel interessant.”

Min of meer hetzelfde verhaal voor Christa Fernand. Zij wilde al tandarts worden vanaf dat ze een „heel klein ukkie” was. Ze kwam ooit bij een orthodontist die boeiend over zijn werk kon vertellen. Daar is het écht begonnen, denkt ze.

Beide dames volgen de hbo-opleiding mondzorgkunde, van hogeschool InHolland in Amsterdam. Die opleiding leidt op tot mondhygiënist.

Er iets bijzonders met deze opleiding. Meer dan de helft van de studenten is er van niet-westerse afkomst. Net als Baldew en Fernand, die van Surinaamse afkomst zijn. Er zijn ook veel studenten uit Irak, Iran, het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

Dat is niet alleen zo in Amsterdam. Ook op de andere drie opleidingen mondzorgkunde in Nederland zijn er relatief veel niet-westerse allochtonen: in 2005 30 procent van de studenten, zo zegt een woordvoerder van de HBO-raad, de koepelorganisatie van de hogescholen. Over 2009 was dat al 50 procent. „Een forse toename”, zegt de HBO-Raad. Zelfs in Groningen, waar relatief weinig allochtonen wonen, groeit deze groep, zegt het hoofd van de opleiding aldaar, Marian Brandenburg. Dat vindt ze opvallend. Op de andere hbo-opleidingen in de gezondheidszorg steeg het aantal studenten van niet-westerse afkomst van 7 procent in 2005, naar 10 procent over 2009. Gemeten over het hele hbo, is 8 procent van de studenten allochtoon.

„Het is opvallend dat dat op de opleiding mondzorgkunde zoveel hoger ligt”, zegt ook diversiteitscoördinator van de opleiding mondzorgkunde in Amsterdam, Laura Popma. „Ik had veel meer witte meisjes verwacht.”

De opleidingsmanagers van de vier opleidingen in respectievelijk Groningen, Nijmegen, Amsterdam en Utrecht willen eigenlijk liever niet praten over de vraag waarom er zoveel allochtone studenten naar hun opleiding komen. Ze zijn bang om te stigmatiseren, zeggen ze. Maar ja, de trend is zo opmerkelijk, dat ze wel willen proberen verklaringen te zoeken.

Opleidingsdirecteur in Nijmegen Marijke Beckers, ziet op haar opleiding veel mensen die gevlucht zijn uit hun thuisland, vaak Iran, Afganistan en Irak, en enkelen van hen waren daar tandarts. Ze halen in Nederland de papieren om ook hier in de mondzorg te kunnen werken. Maar waarom er juist zoveel uit dát gebied komen, weet ze niet.

In Amsterdam denken ze dat veel moslims zich wellicht opgeven, omdat van alle beroepen in de zorg mondhygiënist degene met het minste fysieke contact is. „En juist dat fysieke contact, bijvoorbeeld het wassen van patiënten, daar hebben moslims soms moeite mee”, zegt opleidingsdirecteur in Amsterdam, Marjan Besemer.

Daarnaast speelt mee, denkt directeur Marij Urlings van de School of Health van InHolland in Amsterdam, dat het beroep van mondhygiënist het hoogste salaris betaalt van alle hbo-studies. De vraag naar mondhygiënisten neemt de laatste jaren toe, onder andere omdat steeds meer ouderen hun eigen gebit houden. Momenteel vindt 99 procent van de studenten een baan, zegt Besemer. „Veel studenten van vooral de tweede generatie vinden dat belangrijk, omdat ze soms deels de financiële zorg voor hun familie hebben.”

Verder hoort zij van studenten van niet-westerse afkomst ook vaak dat de opleiding hen door hun familie wordt geadviseerd. Omdat het een betrouwbaar beroep is met status. Een beroep waarmee je je bovendien als zelfstandige kunt vestigen, wat ook vaak door allochtone studenten hoog gewaardeerd wordt, zegt Besemer.

Een paar van de redenen kloppen wel, zeggen studentes Baldew en Fernand. „Mijn ouders hebben allebei een eigen zaak”, zegt Baldew. „Ik wil laten zien dat ik dat ook kan.” „Mijn familie heeft mij deze studie geadviseerd”, zegt Fernand.

Urlings beschouwt het als „een rijkdom”, dat het aantal allochtonen op de opleiding groeit. Allochtone studenten kunnen een veel bredere doelgroep bedienen, zegt Besemer. Allochtonen hebben vaker gaatjes, zo hoort Besemer vaak zeggen. „In mijn familie heb ik al wat eetgewoonten aangekaart”, beaamt Baldew. „Ze drinken al veel minder cola.”

Allochtone studenten hebben relatief wel vaker moeite met de studie. Ze hebben vaker een taalachterstand, en moeten vaak ook meer moeite doen om de weg te vinden op de opleiding en in de stad. „Christa woonde bijvoorbeeld twee jaar geleden nog in Suriname”, knikt Popma naar Fernand. Vandaar ook dat Popma nu meer „beleid gaat maken” op het groeiende aantal allochtone studenten. Het aantal mentorprojecten en coachprojecten wordt uitgebreid. En Popma wordt een vast aanspreekpunt voor vragen van studenten.

Een ander punt zijn korte mouwen. Die zijn verplicht op de opleiding en op het werk straks, zegt Besemer. Sommige studentes met vooral een moslimachtergrond hebben daar moeite mee.

Moslima Namet Farhou, afkomstig uit Libanon, is vol vertrouwen over haar opleiding, zo zegt zij door de telefoon. Ze studeert in Amsterdam mondzorgkunde. Haar hoofddoek is juist een voordeel. Die houdt haar haar hygiënisch uit het gezicht, ook een van de voorschriften. En die korte mouwen vindt ze niet erg. „Als ze maar niet té kort zijn.”

Ze weet niet waarom er zoveel allochtone studenten op haar opleiding zitten. „Ik wilde graag een beroep waar ik met mijn handen bezig kan zijn. Niet achter een bureau.” Ze wil na deze studie nog tandheelkunde gaan studeren. Op de universiteit. Dan zou ze tandarts zijn. Dat is haar droom. „Maar eerst dit diploma halen.”