Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Leven

Voor altijd

Rudy Kousbroek zou sarcastisch gelachen hebben als hij gehoord had dat het NOS Journaal zondag meer aandacht besteedde aan de dood van de zesderangszangeres Sugar Lee Hooper dan aan de zijne. Hij had het toch al zo vaak gezegd?

„Dat is misschien het verschil met andere landen: de middelmaat is per definitie overal middelmatig”, schreef hij in Nederland: een bewoond gordijn, „maar in Nederland heeft het de allure van een keuze. In andere landen voel je een streven om eruit weg te komen, maar in Nederland is het middelpuntzoekend; er is een gevoel van dankbaarheid verbonden aan dat middelmatige, en van ressentiment tegen alles wat eraan ontsnapt.”

Er wordt dezer dagen veel, en terecht, geschreven over zijn bètakant, maar laten we evenmin vergeten hoe goed hij kon schrijven over de onvervulbaarheid van verlangens – vooral die van de liefde en de seksualiteit. Dat deed hij met een fraaie mengeling van zelfspot en ernst.

„Voor ik dood ga wil ik eerst nog even met de helft van de mensheid naar bed”, schreef hij in het essay Mijn dood. „[…] Voor al die dingen ben ik alleen al veel te verlegen en de aard van een Don Juan is mij vreemd. Niet voor mij die afstotelijke formule van ‘find, fuck, forget’: ik wil ze allemaal, allemaal tegelijk en voor altijd.”

Een van zijn mooiste essays heet Een zuivere schim in een vervuilde schepping en gaat over de homoseksuele Egyptische dichter Kafavis. Kousbroek vraagt zich af waarom Kafavis in zijn ‘homoseksuele’ poëzie veel indringender over seksuele verlangens durft te schrijven dan de meeste heteroseksuele dichters. „Is het omdat een dergelijke onmiddellijke en openlijke wederkerigheid van gevoelens, van direct en onverhuld verlangen naar sexueel contact, in heterosexuele relaties zo weinig voorkomt?”

Hij citeert Kafavis’ Herinner je, lichaam:

Lichaam, herinner je, niet alleen hoezeer je werd liefgehad,/ niet enkel de bedden waarop je bent gaan liggen,/ maar ook die verlangens die vanwege jou/ duidelijk blonken in de ogen/ en trilden in de stem – en een/ toevallige hindernis maakte ze vergeefs./ Nu dat alles al in het verleden ligt,/ lijkt het bijna of je die verlangens/ ook ingewilligd hebt – en herinner je,/ hoe ze straalden in de ogen die je aanzagen,/ hoe ze trilden in de stem, om jou, herinner je, lichaam.

„Dat is werkelijk een van de mooiste gedichten die ik ken”, schrijft Kousbroek dan, „en toch heeft nooit iemand zo naar mij gekeken. Vrouwen doen dat niet, of in elk geval niet naar mij. Maar zelf, zelf heb ik wel zo naar anderen gekeken en dat is geloof ik de herinnering die weer tot leven komt.”

In elk geval niet naar mij. Dat klinkt erg teleurgesteld. Maar misschien onderschatte hij zichzelf – iets waar hij wel vaker last van had.

Hij heeft eens in een interview met Lien Heyting verteld hoe hij door omstandigheden gedwongen was een hotelkamer te delen met een Israëlisch meisje. Hij was smoorverliefd op haar, maar durfde haar niet aan te raken. Later hoorde hij van derden dat ze daarover teleurgesteld was. „En toen vertelden ze dat zij bij het diner juist heel duidelijk te kennen had gegeven dat ze wel wilde. Die toespeling moet ik dus weg gecensureerd hebben. Dat is mijn hele leven in een notedop.”

Voor Kousbroek zal de dood vooral betekend hebben: nooit meer liefde.