Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Rationalist die zich bleef verwonderen

Essayist Rudy Kousbroek hield van de polemiek. Zijn vele artikelen voor deze krant, over katten, Indië, roodharige meisjes, en ongeloof, kenmerkten zich door helderheid en humor.

Rudy Kousbroek in 1984 discussiërend met de Franse schrijver en tekenaar Roland Topor. Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen
Rudy Kousbroek in 1984 discussiërend met de Franse schrijver en tekenaar Roland Topor. Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen

In het slothoofdstuk van Medereizigers, de voorlaatste essaybundel van Rudy Kousbroek, schreef hij over een foto van de grafsteen van vier Britse circuspony’s. De dieren waren bij een brand om het leven gekomen. „We think they must have souls”, stond op de steen.

„Het is beschamend maar niet te ontkennen”, schreef Kousbroek op zijn beurt, „om die overtuiging dat dieren een ziel hebben, en om het feit dat er mensen waren die er behoefte aan hadden dat op een grafsteen te laten beitelen, ben ik weerloos aan dat gedenkteken overgeleverd.” Waarna hij erkent dat zijn ziel kennelijk geraakt is: „en dat is merkwaardig, want ik geloof niet in zielen, sterfelijke of onsterfelijke.”

In het elegante essay dat volgt horen we niet alleen de heldere rationalist Kousbroek uitleggen hoe hij zijn geloof verloor, maar zien we ook Kousbroeks vermogen om zich te verwonderen over de wereld, en wat mensen en dieren daar zoal bedenken en uitvoeren.

Rudy Kousbroek is zondag in zijn woonplaats Leiden op 80-jarige leeftijd overleden. Hij was al enige tijd ernstig ziek.

Vooral het rationalisme van Kousbroek heeft altijd veel aandacht getrokken, ook al door vasthoudendheid waarmee hij een hele reeks polemieken voerde: over het geloof, over Nederlands-Indië, over kunst en schrijvers die hem niet zinden. Bijna achteloos kon hij het ‘suikerwerk’ van Vasalis wegzetten. En decennia lang hamerde hij op hetzelfde aambeeld: dat de Japanse interneringskampen in de Tweede Wereldoorlog niet te vergelijken waren met de Duitse. En dat de wijze waarop geïnterneerde Nederlanders later over het ‘Jappenkamp’ spraken racistische trekjes had.

Dat ‘Oost-Indisch kampsyndroom’ leidde tot het gelijknamige, meesterlijke boek uit 1992, Kousbroeks beroemdste. Maar wie Het Oostindisch kampsyndroom nu leest, wordt niet alleen getroffen door de gestaalde stukken tegen Jeroen Brouwers en Wim Kan, maar vooral door de andere essays, die het overgrote deel van het boek vullen: lange, op het sensuele af zintuiglijke stukken waarin Kousbroek zijn herinneringen aan het land waar hij de eerste zestien jaar van zijn leven doorbracht laat samengaan met wat hij er later over leest, hoort en bedenkt.

Veel meer dan zijn kracht als polemist, zijn het Kousbroeks helderheid, zijn humor en nooit aflatende nieuwsgierigheid die hem tot een van de prominente essayisten van zijn generatie maakten. Recensent Carel Peeters schreef over Kousbroeks „rationele passie” die hij losliet op haast alle denkbare onderwerpen: gebouwen, de tegencultuur, literatuur, Bruintje Beer, sciencefiction, structuralisme, oude foto’s, wiskunde, beeldende kunst, wapens, cultuurfilosofie, de Chinese politiek, media, taal en dieren. In zijn vorig jaar gepubliceerde briefwisseling met Willem Frederik Hermans, Machines en emoties, ging het even eenvoudig over auto’s en hun topsnelheid als over de betekenis van het werk van Wittgenstein.

Kousbroek was vanaf de oprichting een van de gezichtsbepalende auteurs van het Cultureel Supplement. Een groot deel van zijn werk verscheen eerst in de krant en werd later gebundeld in titels als Het avondrood der magiërs, Een kuil om snikkend in te vallen, De logologische ruimte en De vrolijke wanhoop. Zijn bundel De aaibaarheidsfactor, een geliefd boekje over katten met een aaibaar grijsfluwelen stofomslag, maakte hem de bedenker van een veelgebruikt nieuw woord.

De afgelopen jaren publiceerde Kousbroek drie boeken met opstellen naar aanleiding van fotografie onder de titel Fotosynthese. In 1975 werd Kousbroek onderscheiden met de PC Hooftprijs.

Zelf noemde Kousbroek desgevraagd echter niet zijn essays, maar zijn roman Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam uit 1981 zijn dierbaarste boek. „Ik heb een stuk of twaalf romans geschreven, maar geen enkele voltooid”, zei hij in 1986 in een interview met deze krant. „Het is alsof ze allemaal in hetzelfde stadium zijn blijven steken, alsof ik merk dat ik op bekend terrein kom en dan weet ik het al, dan gaat het mis.” Vincent is dan ook geen standaardroman. Op basis van negentiende-eeuwse gravures uit de goedkope reeks Les bons romans schreef Kousbroek een tegen het essay aan schurkend beeldverhaal in feuilletonvorm.

Rudy (Herman Rudolf) Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar op Sumatra geboren. De eerste vijf jaar van zijn leven bracht hij in Nederland door, daarna vertrokken zijn ouders weer naar Nederlands-Indië, waar Kousbroek op een internaat zat. Tijdens de Japanse bezetting was hij in verschillende kampen geïnterneerd, in 1946 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij enige tijd wiskunde studeerde voor hij naar Parijs vertrok. „Ik was niet opgewassen tegen de vrijheid van het universitaire bestaan.”

Daar studeerde hij verder, Chinees, Japans, en daar raakte hij bevriend met de schilders van CoBrA en jonge schrijvers als Simon Vinkenoog, Hugo Claus en Remco Campert. Met die laatste richtte hij in 1950 het literaire tijdschrift Braak op en zo kwam hij aan de wieg te staan van de Beweging van Vijftig. Hij maakte zich sterk voor het „zeer aardse vers in een zeer aardse wereld”, waarin ook het empirisme van de latere essayist Kousbroek te zien is. In 1951, het jaar dat hij trouwde met schrijfster Ethel Portnoy, debuteerde Kousbroek als dichter met Tien variaties op het bestiale, twee jaar later volgde De begrafenis van een keerkring. De ontvangst was matig. Hij stopte met dichten. „In de Nederlandse poëzie zou ik hooguit tot een goede middelmaat behoren en dat is niet goed genoeg.” In de jaren negentig zou Kousbroek een lange reeks gedichten publiceren op de Kinderpagina van het Cultureel Supplement, die in 2003 in Dierentalen werden gebundeld.

Vanaf eind jaren zestig schreef Kousbroek voor het Algemeen Handelsblad en voor Vrij Nederland. Na de oprichting van NRC Handelsblad werd hij een boegbeeld van het Cultureel Supplement, waarvoor hij vele honderden stukken schreef en de toon en de richting in belangrijke mate bepaalde. „Ik heb kilo’s krantenpapier zwart gemaakt, maar het merendeel is rommel”, zei hij in 2009. En: „Mijn werk? Ik heb 99 procent van mijn tijd aan seks gedacht en, helaas, niet eraan gedaan.” Over zijn PC Hooftprijs zei hij met evenveel zelfspot dat hij die dankte aan het het feit dat de jury niet kon kiezen tussen Karel van het Reve en Renate Rubinstein.

Kousbroeks consequente aanvallen op alle vormen van irrationaliteit en met name op religie leverden hem behalve veel bewonderaars ook tal van tegenstanders op. Hij verdedigde de wetenschap tegen sceptici en hekelde het ‘moderne bijgeloof’ van psychedelica en new age. Even kritisch was hij over de afkeer van een groot deel van de literaire wereld van alles wat met techniek van doen had: „klassieke intellectuelen die door de moderne wereld wandelen als Neanderthalers door een sterrenwacht: ongerust, omgeven door apparaten waarvan de werking hen volkomen onbegrijpelijk is.”

In 1994 ontving Kousbroek, die hertrouwde met de sinologe en schrijfster Sarah Hart, een eredoctoraat in de wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen als „meest prominente vertegenwoordiger van de essayistische traditie in Nederland vanaf de jaren zeventig”. Hij zette zich de laatste jaren in voor een menswaardige behandeling van varkens en andere dieren. Bij de vorige Kamerverkiezingen was hij lijstduwer van de Partij voor de Dieren, al werd hij later onaangenaam verrast door de mededeling van lijsttrekker Marianne Thieme dat zij zich had laten dopen tot lidmaat van de zevendedagsadventisten.

Zijn laatste boek verscheen enkele weken geleden, de afsluiting van de meer dan veertig jaar geleden begonnen reeks Anathema’s: Restjes.

De laatste jaren had hij grote problemen met zijn gezondheid. „Anderhalf jaar geleden was ik opgegeven”, zei hij vorig voorjaar. „Het was op het randje. Ik heb toen niet de minste neiging gehad me over te geven aan het hogere. Ik dacht: zie je wel, ik laat me ook niet door omstandigheden verleiden tot onwaarheden.”

In hetzelfde interview zei Kousbroek: „Als je van de natuur houdt, zoals ik, dan houd je ook van de dood. Maar dat doe ik niet. Ik ben ook altijd schichtig omgegaan met de dood van huisdieren.” Vandaar misschien ook de weerloosheid die hij voelde bij de aanblik van de dode circuspaarden op de foto. In het genoemde essay vertaalt hij de grafspreuk als een uiting van de liefde van de mens voor het dier, als een noodkreet: „We hadden jullie lief, we konden het je niet zeggen, maar het is zo.”