Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Lees om taalverarming tegen te gaan

„Ik weet geen taal waar woorden zo snel afsterven als de onze”, schreef Rudy Kousbroek.

In mijn leven heb ik diverse leermeesters gehad, op verschillende vakgebieden, en een van hen is Rudy Kousbroek. Van Rudy Kousbroek had ik al veel geleerd voordat ik hem persoonlijk ontmoette. Als jonge student had ik een paar van zijn boeken gelezen, vooral zijn opstellenbundels, getiteld Anathema’s.

Ik had er indertijd een gewoonte van gemaakt om woorden die ik niet kende in een schriftje te noteren. Vervolgens zocht ik ze op in de Grote Van Dale. Bij niemand noteerde ik zoveel moeilijke woorden als bij Kousbroek, soms tientallen per essay.

Later, toen ik Kousbroek persoonlijk had leren kennen, hebben we het hier eens over gehad. Kousbroek vond dat je de lezer niet als kleuter moest behandelen. Je mocht enige kennis veronderstellen, vond hij, ook talenkennis.

Kousbroek heeft veel over taal geschreven (zijn meermaals herdrukte De logologische ruimte: opstellen over taal is zeer de moeite waard). Hij had een grote liefde voor het Nederlands, of wellicht correcter: voor exact en helder taalgebruik.

Aan mij uitte hij die liefde de afgelopen jaren in onregelmatige reacties op deze rubriek. Net als veel andere lezers maakte Kousbroek zich zorgen om de teloorgang van het Nederlands. Hij was van mening dat er steeds slordiger werd gesproken en geschreven – iets wat volgens hem kwam door het slechte onderwijs en doordat er steeds minder werd gelezen.

Zo schreef hij eens: „In dit stukje lijkt het of ook jij ervan uitgaat dat alles ‘makkelijk leesbaar’ moet zijn. Dat is een recent denkbeeld, dat al veel schade heeft aangericht. Als ergens moeilijke woorden in staan is het gewoon verouderd en niet meer de moeite waard, of anders moet het ‘hertaald’ worden, dat wordt hier heel normaal gevonden. Doe er niet aan mee, is mijn smeekbede, of liever nog, ga er tegen in.”

Voor de goede orde: Kousbroek heeft mij ooit voorgesteld om onze correspondentie te publiceren, dus ik voel mij vrij om hier uit zijn e-mails te citeren.

Toen ik overwoog om iets te schrijven over jeugdtaal in de Japanse interneringskampen vroeg ik Kousbroek om raad.

Hij antwoordde: „Tussen de kampen – over heel Indië – was vrijwel geen contact; de gedachte van één jongenstaal in de Japanse kampen lijkt mij een romantisch cliché. Ik zou een hele lijst kunnen geven van woorden die ‘wij jongens’ gebruikten in de kampen waarin ik gezeten heb, maar veel daarvan circuleerden ook al op de kostschool waar ik vóór de oorlog op was. Er waren veel woorden voor obsceniteiten, ontleend aan vulgair Maleis. Ontleningen aan het Japans (afgezien van wat officiële termen gebruikt bij de appels) zijn mij niet bekend. Kortom, ‘jongenstaal in de Japanse kampen’: een modieus begrip, niet een echt onderwerp, volgens mij.”

Het gebruik van ‘moeilijke woorden’ bleef in onze correspondentie opduiken. Zo schreef hij in een van zijn laatste mailtjes: „In de ons omringende talen is het opzettelijk gebruik van moeilijke woorden een traditie. Denk aan Colette, ik vermoed dat er weinig Fransen zijn die alle woorden kennen die zij door haar teksten strooit. Dat draagt er ook toe bij dat zij bij het vocabulaire blijven behoren. Dat is een belangrijke overweging, waar het mij eigenlijk om gaat. Het zorgt ervoor dat woorden blijven leven; dat doen ze bij ons niet, ik weet geen taal waar ze zo snel afsterven als de onze. Ziedaar een goed en niet met de haren erbij gesleept voorbeeld van hoe literatuur en leescultuur de taal op ‘natuurlijke’ wijze levend houdt en verarming tegengaat.”

Ik zal Kousbroek en zijn berichten missen.