Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

'In een goed stuk moet iets te lachen zijn'

Reacties op het overlijden van Rudy Kousbroek.

Maarten Asscher was in de jaren negentig uitgever van Rudy Kousbroek. „Hij is voor mij een zeer groot voorbeeld van iemand die het persoonlijke, het autobiografische kan combineren met het politieke, het historische, het maatschappelijke. Bovendien is hij een meester van de ontroering. Zijn essays geven het gevoel dat je iets persoonlijk is overkomen. Hij schreef in een prachtig idioom en spreidde een weldadig atheïsme tentoon, niet om mensen daar mee te kwetsen, maar omdat hij religie afwees als zelfbedrog. Het valt te hopen dat zijn invloed blijvend is, want de verdwazing is allerwegen.”

Journalist Jan Blokker kruiste regelmatig de pen met Rudy Kousbroek, onder meer over de Japanse keizer Hirohito, die Kousbroek verdedigde. „Hij kon slecht tegen kritiek”, zegt Blokker. „Ik had een stuk geschreven over de rol van Hirohito tijdens de Tweede Wereldoorlog, en daar reageerde hij fel op. Hij verdedigde de Japanners tegen de in zijn ogen ‘racistische’ Nederlanders. Wat Jan Blokker het meest is bijgebleven is een telefoongesprek uit de jaren tachtig. „Ik heb een vrouw die in Nederlands Indië is geboren. In 1985 ging ik met haar terug naar Indonesië. Over die reis heb ik een artikel geschreven. Belachelijk vroeg ging de telefoon. Het was Rudy Kousbroek, die een beetje stotterend en aangedaan zei: ‘Nu begrijp ik het.’ Hij had een afkeer van sentimentaliteit, maar op dat moment leek hij even in een plek geraakt die hem ook nabij was.”

Schrijver K. Schippers vindt dat er wat te ernstig over Kousbroek en zijn werk wordt gedaan. „Hij zei zelf, of misschien schreef hij het: ‘In een goed stuk moet altijd iets te ginnegappen zijn.’” Hij herinnert zich Kousbroek als „een hele grappige man”. „Er is in Amsterdam een volkstuinencomplex, Nieuw Vredelust, en dat heeft een eigen blad. Rudy Kousbroek en ik, maar ook anderen, zoals Adriaan van Dis en Maarten ’t Hart, vonden het wel een grappig idee om daar onder pseudoniem stukjes voor te gaan schrijven. Hij schreef onder de naam Jan Salie. Dat hebben we vijftien jaar gedaan.”

Wout Woltz, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad prijst de gedrevenheid en het enthousiasme van Rudy Kousbroek. „Hij stond een beetje bekend als een brombeer, en dat was hij soms ook wel, maar daartegenover stond dat hij mensen enorm kon stimuleren. Op de redactie zat hij soms uren te zuchten en steunen. „Dan lukte het schrijven niet, kon hij het niet onder woorden brengen wat hij dacht, en zat hij uren naar een witte muur te staren. Als je dan achteraf las wat hij had geschreven, begreep je dat. Intellectuelen zoals hij zijn er weinig in Nederland.”

Voor Adriaan van Dis was Kousbroek degene die hem anders naar Indië heeft doen kijken. „Hij was een man die het sentiment schuwde. Of beter gezegd: hij leek er bang voor, zeker als het Indië betrof. Hij was juist zeer gevoelig. Als hij over zijn jeugd in Indië vertelde, was hij herhaaldelijk tot tranen geroerd. Maar in zijn essays liet hij dat nauwelijks toe. Behalve in zijn stukken over dieren. Op dieren, onze medereizigers, projecteerde hij zijn verboden verlangen naar sentiment.”

Meer reacties op Kousbroeks overlijden: nrc.nl/cultuurblog