Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

'Het evenwicht in de natuur is doorbroken'

Q-koorts is te traag aangepakt, mede door de landbouwlobby. Dat zegt zegt Nederlands eerste Q-koortsexpert. Nu zit de bacterie overal. „Het is best een somber verhaal.”

Jan Hendrik Richardus
Jan Hendrik Richardus

Jan Hendrik Richardus, universitair hoofddocent maatschappelijke gezondheidszorg aan het Rotterdamse Erasmus MC, is niet onder de indruk van het overheidsbeleid om de Q-koorts te bestrijden. Richardus was de eerste kenner van Q-koorts in Nederland. In 1985 promoveerde hij op baanbrekend onderzoek naar de ziekte.

Richardus richt zich nu meer op andere ziekten, maar volgt de Q-koorts met speciale interesse. Hij vindt dat de overheid te laat in actie is gekomen. Meer openheid over besmette bedrijven, mest uitrijden verbieden – het duurde te lang. De Q-koortsepidemie heeft sinds de uitbraak een kleine vierduizend mensen ziek gemaakt. Tien mensen met de ziekte zijn overleden. De Rotterdamse wetenschapper voorziet groeiende problemen, voor dieren en mensen.

Toen Richardus promoveerde, waren er sporadisch meldingen van Q-koorts in Nederland. Eigenlijk komt de ziekte in Nederland niet voor, dacht men toen. Dertig jaar geleden ging een laboratorium in Rotterdam een nieuwe test toepassen die sporen van besmetting bij mensen beter kon aantonen. Ineens doken er meer patiënten op. Als jonge arts deed Richardus net zijn co-schappen kindergeneeskunde, toen twee kinderen de diagnose Q-koorts kregen. Dat was nog nooit beschreven. Een mooi promotieonderwerp voor Richardus dus. Gedurende een aantal jaren bracht hij 51 patiënten met Q-koorts in kaart.

De promovendus zocht naar sporen van antistoffen in bloedmonsters, van onder meer bloeddonoren, om te zien of mensen ooit besmet zijn geweest. Hij vond de sporen bij veel meer mensen dan ooit voor mogelijk was gehouden: 30 tot 40 procent. De meeste mensen die besmet raken, worden niet ziek, maar hebben wel antistoffen. De conclusie was: het zit gewoon overal in Nederland.

Wat opviel was dat patiënten heel vaak een directe relatie hadden met dieren. De een was boer, een ander had een echtgenote die schapenwol spon. Weer een ander had opgezette dieren en nog een was onlangs op een kinderboerderij geweest.

Waarom zijn boeren niet massaal ziek?

„Ik heb naar patiënten, maar ook naar boerderijbewoners en dierenartsen gekeken. We hadden ruim tweehonderd bloedmonsters van dierenartsen. Meer dan 80 procent van hen bleek heel hoge niveaus van antistoffen te hebben en dus besmet te zijn geweest. Dierenartsen waren de hele tijd in aanraking geweest met de verwekker van Q-koorts. Ook bij veehouders en hun familieleden had zo’n 70 procent antistoffen. Maar zij merken er doorgaans weinig van. Ik denk dat ze al van oudsher bescherming hebben.

„Het was sensationeel. Al 30 jaar had men elkaar nagezegd: Q-koorts komt in Nederland niet voor. Toen zei ik in 1985: het is hartstikke aanwezig. De Q-koorts was bovendien niet nieuw. Want uit oude bloedmonsters van 1968 die nog ergens in een vriezer stonden, kon ik opmaken dat de helft van deze mensen destijds ook al positief was. Toen was mijn conclusie dat het al sinds jaar en dag overal aanwezig is geweest.”

Niets nieuws dus. Maar is het dan wel zorgelijk?

„Het nieuwe is dat uitgebreide epidemieën mensen treffen. Dat is op zo’n grote schaal niet eerder vertoond. Sinds de jaren tachtig hadden we hoogstens twintig gevallen per jaar, verspreid over het hele land. Veel mensen hebben geen of lichte verschijnselen van Q-koorts, zoals griep- of verkoudheidsklachten. Maar voor een deel van de mensen die besmet worden, kunnen de klachten ernstig zijn – een long- of zelfs een hartklepontsteking. Voor deze groep is Q-koorts een ernstige ziekte met soms dodelijke afloop.”

Hoe reageerde u op de uitbraak in 2007?

„Ik was ook verrast dat het opeens zo’n epidemie werd. Mijn eerste reactie was: om dit probleem aan te pakken, moet men er op staan dat er openheid komt over bedrijven waar Q-koorts heerst. Men wist al dat er abortussen waren bij geitenbedrijven. Dat was nog voordat het duidelijk was dat er een epidemie op mensen afkwam. Pas jaren later is er gedwongen openheid gekomen. Drie jaar lang heeft de agrarische sector dat geweigerd.”

Waarom volgens u?

„Wegens de economisch belangen, natuurlijk. Toen ik promoveerde, was de landbouwlobby al sterk. De sector oefent grote druk uit, ook op wetenschappers. Mijn promotor kreeg telefoontjes met de boodschap dat hij vooral niet te veel ruchtbaarheid aan ons onderzoek moest geven. Die druk was zo concreet dat ik géén dier in het Hollandse landschap op de kaft van mijn proefschrift heb gezet, want over besmettingen door dieren mochten we niet praten! Ik heb dat nog gehekeld op de dag van mijn promotie. Die reflex om de landbouwbelangen te beschermen bestaat nog steeds.”

Had meer openheid tot een andere aanpak geleid?

„Ja natuurlijk. Dan had je veel eerder een duidelijke link kunnen leggen tussen zieke mensen en besmette dieren. Die link is moedwillig onder de pet gebleven. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu [RIVM] is het conflict daarover uit de weg gegaan. Uiteindelijk moesten GGD-artsen aan de bel trekken. Het RIVM, de GGD’s en ook het publiek had veel meer kunnen weten als er meer openheid was geweest. Het RIVM heeft geaccepteerd dat de sector geen openheid gaf over de besmette bedrijven.”

Wat is de oorzaak van de huidige epidemie?

„Misschien is het een nieuwe variant, misschien zijn er klimatologische oorzaken. Ik denk dat het vooral de intensieve geitenhouderij is. En de omgang met mest, die een ideale situatie gecreëerd heeft voor verspreiding. Ik ben helemaal niet zo activistisch, maar met het uitrijden van zwaar besmette mest over de velden, vraag je om problemen.”

U denkt dat de bacterie gewoon rondwaart. Is daar wat aan te doen?

„De Coxiella burnetti is een sporenvormer. Vandaar de belangstelling vroeger voor deze bacterie als biologisch wapen. Deze bacterie kan jaren potentieel besmettelijk op het land blijven liggen. De bacterie zit vooral in het vruchtwater van dieren, hun vliezen worden deel van mest. En die wordt gewoon uitgereden. Dat uitrijden had de overheid heel snel kunnen stoppen. Misschien mest desinfecteren met chloor.

„Als men mij had gevraagd: wat moeten we vooral niet doen om verspreiding te voorkomen? Dan had ik gezegd: Stop de mest in een put of een tank, maar rijd hem alsjeblieft niet uit!”

Komen we ooit nog van de Q-koorts af?

„Door de sporenvorming is het een lastige bacterie. Het is niet als met het griepvirus, dat komt en weer weggaat. Deze bacterie is een soort gif die overleeft in het milieu. Zo blijft er op lange termijn een behoorlijke infectiedruk. Zowel op mensen als op dieren.”

Hoe kwalificeert u de twijfel bij topambtenaren van Landbouw tot in 2009 over het verband tussen de geiten en de patiënten? Zij wezen op de mogelijke rol van knaagdieren, paarden en fijnstof in de overdracht van Q-koorts.

„Dat is theoretisch misschien mogelijk, maar het getuigt niet echt van de wil het probleem onder ogen te willen zien. Formeel kan je zeggen dat de causaliteit ontbreekt zolang je niets definitief hebt aangetoond. Technisch kun je dat bewijs wel verkrijgen, maar als je wéét dat er op boerderijen veel abortussen zijn, dat de bacterie veel aanwezig is en dat er in de omgeving en zeker windafwaarts veel patiënten zijn, dan is A plus B: C. Daar zit een hoge mate van plausibiliteit in. Daarna kan je zeggen, oké, we gaan alsnog proberen dingen beter hard te maken. Natuurlijk moet je al wel beginnen met maatregelen. Dat je niet gelijk alles gaat ruimen, kan ik me voorstellen, maar zeg wel openlijk om welke bedrijven het gaat, zodat je gerichte maatregelen kunt nemen. En het niet langer uitrijden van mest is nummer één in elk handboek.”

Was dan veel narigheid voorkomen?

„Dan was het niet in zulke hoge mate in de natuur gekomen. Wat zich de afgelopen jaren heeft afgespeeld, is niet meer terug te draaien. Als er goed was gemonitord, had je het kunnen voorkomen. Niemand heeft er in het verleden de ernst van willen inzien.”

Hoe erg is dat?

„Ik dacht zelf ook dat mensen immuun zouden worden en dat het aantal meldingen na één of twee seizoenen zou afnemen, net als in het verleden. Dat is niet gebeurd. Het zit nu zo in het milieu dat het niet zomaar meer weg is. Allerlei dieren zijn mogelijk besmet. Huisdieren, knaagdieren, zelfs teken. Het is best een somber verhaal, ja. Omdat men dit drie of vier jaar lang uit de hand heeft laten lopen, is alles wat je nu doet achter de feiten aanhollen. De gang van zaken laat het falen van de regievoering zien, onduidelijke verhoudingen tussen Volksgezondheid en Landbouw. De landbouwsector kan alles toedekken zonder dat een hogere bevoegde kan zeggen: dit is voor de volksgezondheid, voor burgers, een groot gevaar”

Wat betekent dit voor de toekomst?

„Er komt geen eind aan de diercrises. Mijn conclusie is dat we op deze intensieve manier geen veehouderij kunnen hebben in Nederland. Dat is de conclusie waar men eigenlijk nog niet aan wil. Maar het kan gewoon niet. Niet alleen wegens dierenwelzijn, maar ook niet omwille van menselijk welzijn en de volksgezondheid.”

Hoe komt het dat Q-koorts nog niet bij koeien wijdverbreid is?

„Misschien is dat de volgende categorie die aan de beurt komt. Nu kan er van alles gebeuren. Dat klinkt misschien fatalistisch, maar het evenwicht in de natuur dat we hadden voor 2007 is doorbroken.”