Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

Boeken

Een autist ziet de realiteit in een lachspiegel

Met hun specifieke vermogens zijn lijders aan het syndroom van Asperger geboren literaire personages.

Maar doen romans met deze patiënten de autist wel recht?

Illustratie Nanne Meulendijks
Illustratie Nanne Meulendijks Meulendijks, Nanne

Iedereen kent de verbazing die je bevangt als je probeert om een naar binnen gevlogen wesp naar buiten te wapperen. Hoe is het mogelijk dat het beestje het open raam, die zee van ruimte en vrijheid, keer op keer mist? Toen ik eens een wesp voor de zoveelste keer een open raam zag missen, viel mij in: dit is eigenlijk precies mijn oudste zoon.

Nadat bij mijn zoon het syndroom van Asperger werd vastgesteld, had ik lang gezocht naar woorden om autisme te beschrijven – voor mezelf en anderen. Doorwrochte handboeken van experts en authentieke getuigenissen van begaafde autisten boden veel termen en inzichten, maar dat bombardement van informatie vertroebelde mijn zicht vooral.

Het rondvliegende insect verhelderde plotseling het beeld. Een wesp beweegt zich immers door een tweedimensionale ruimte en kan de diepte van de derde dimensie niet waarnemen. Zo gaat mijn zoon ook door het leven – en vermoedelijk veel van zijn lotgenoten –, onmachtig om wat hij hoort en ziet te doorgronden.

De wesp bood orde in de chaos van misverstanden, overprikkelde zintuigen en onbegrijpelijke gezichtsuitdrukkingen die zo bij autisme horen. Literatuur kan een dergelijke orde ook bieden, blijkt in enkele recent verschenen boeken, soms in een raak en humoristisch beeld. Zo krijgt de autistische hoofdpersoon in Het reuzenrad mysterie van zijn kattige zus vaak te horen dat hij kijkt ‘als een eend die is vergeten hoe hij moet kwaken’.

Het reuzenrad mysterie is de tweede in het Nederlands vertaalde jeugdroman van de vroeg overleden Ierse schrijfster Siobhan Dowd, wier debuut Een helle kreet (2007) ook in Nederland veel indruk maakte. Hoewel het nergens letterlijk wordt benoemd, heeft de 14-jarige Ted duidelijk het syndroom van Asperger. Dat geldt ook voor de 17-jarige hoofdpersoon van Marcelo en de echte wereld, de eerste roman van de Amerikaanse schrijver Francisco Stork die net in Nederland is uitgekomen voor een publiek van jonge volwassenen.

Beide boeken horen in een gestaag uitdijende stroom jeugdboeken met autistische hoofdpersonen. De jonge personages lijden overwegend aan het syndroom van Asperger, een milde vorm van autisme. Waarom zijn deze contactgestoorde personen de laatste jaren met zo velen in de (jeugd)literatuur doorgedrongen?

Om te beginnen is het syndroom van Asperger, genoemd naar zijn Oostenrijkse ontdekker, pas een jaar of twintig geleden als aparte diagnose opgenomen in DSM IV, het internationale standaardwerk voor psychische stoornissen. Alle autisten hebben een stoornis in de verwerking van informatie. In tegenstelling tot ‘klassieke’ autisten hebben ‘aspergers’ geen taalproblemen of verstandelijke beperking en zijn zij minimaal gemiddeld intelligent. Kinderen als mijn zoon werden voorheen gezien als wereldvreemd of onhandelbaar, maar sinds DSM IV is er een explosie in diagnoses asperger.

Daar komt bij dat mensen met asperger bijna van nature literaire personages zijn. Hun taalvermogen is zo groot, dat ze bijna allemaal als verbaal hoogbegaafd gelden. Mijn zoon maakte als peuter al volzinnen en reproduceerde moeiteloos integraal de nieuwsberichten van de radio. Aspergers hebben daarbij een feilloos oog en geheugen voor details en kunnen vaak goed redeneren, zij het volgens hun eigen logica. Hun onvermogen in het aangaan van sociale contacten maakt hen tot observerende buitenstaanders.

De Britse schrijver Mark Haddon benutte al deze eigenschappen in The Curious Incident of the Dog in the Night-Time (2003), dat geldt als het oerboek van de aspergerliteratuur. De 15-jarige hoofdpersoon van deze aanstekelijke whodunnit is een aandoenlijk personage, dat inzichtelijk vertelt over zijn stoornis. Christopher is een soort wiskundig genie, een ‘savant’, hoewel bijzondere gaven onder autistische mensen bijna net zo zeldzaam zijn als onder ‘neurotypische’.

Stork en Dowd slagen er bij tijd en wijle verbluffend goed in om flarden van de autistische geest te tonen.

Maar ook zij kunnen hun lezer niet werkelijk laten voelen hoe het is om autistisch te zijn, per definitie niet. In What Is It Like to Be a Bat? (1974) betoogde filosoof Thomas Nagel dat de vleermuis door zijn bijzondere manier van waarnemen een wezenlijk ander bewustzijn zou moeten hebben. Maar de ‘objectieve’ wetenschap kan deze ‘subjectieve’ beleving (nog) niet vangen. Literatuur als die van Marcelo en Het reuzenrad mysterie biedt wel glimpen van een ander soort bewustzijn en die zijn prachtig, maar het blijven glimpen.

Mijn eigen wesp is uiteindelijk ook een vleermuis. Het autisme van mijn zoon maakte mij opmerkzaam op een ander bewustzijn, een andere dimensie: alledaagse zaken verloren hun vanzelfsprekendheid, of het nu ging om het oversteken van een straat (doodeng eigenlijk) of het gebruik van uitdrukkingen (raar eigenlijk). Het gewone werd bijzonder, het eigene werd vreemd. „Ik ben er goed in om dingen anders te bekijken”, zegt Ted in Het reuzenrad mysterie.

Dat is ook precies waarom het interessant is om autistische personages op te voeren. Niet om een beeld te geven van het terra incognita in hun hoofd, maar om de wereld door hun ogen ‘anders’ te zien. Vooral in Marcelo en de echte wereld blijkt de ‘echte wereld’ een absurdistan vol onbegrijpelijke regels, rare mechanismen en dubbelzinnige omgangsvormen. Het autistisch brein is een lachspiegel voor de werkelijkheid.

Dat literaire procedé is vaker beproefd met andere bijzondere breinen, of die nu zijn gevormd door psychoses of geheugenverlies. Daarom is het een aardige gedachte-oefening om in de literatuur te speuren naar personages die wellicht asperger hebben. Neem de wiskundige in De eenzaamheid van de priemgetallen die in zijn zoektocht naar formules de liefde van zijn leven ontwijkt – of kunnen de geliefden elkaar eenvoudig niet bereiken als tweelingpriemgetallen? Asperger? Als schrijver Paolo Giordano ons dat had willen vertellen, dan had hij dat wel gedaan.

Anders ligt dat misschien met W.F. Hermans, die zijn oeuvre schiep in een tijd dat over autisme weinig tot niets bekend was. Zijn eenzelvige en rigide personages bewegen zich in een ondoorgrondelijk, ‘sadistisch’ en vaak surrealistisch universum. Als autisten in een normale wereld, zou je kunnen zeggen, en als wespen in een driedimensionale wereld. De sticker ‘asperger’ had het universele van zijn karakters weggenomen, maar wel had Hermans in de huidige autisme-non-fictie veel interessant materiaal kunnen vinden, over een onbegrijpelijke wereld – en over angst. Want het universum van de autist wordt beheerst door angst, door zijn pogingen om angsten te bezweren in rituelen en schema’s en door zijn voortdurende streven om angstaanjagende situaties te vermijden.

Mensen als mijn zoon bewegen zich door het leven als Harold Lloyd aan het flatgebouw in Safety Last, springend van zonwering naar raamkozijn, zich vastklampend aan de wijzers van de klok die elk moment kunnen omklappen.

De angst van autisten is een universele angst, die alleen sterk is verhevigd. Het is een angst die iedereen zou bevangen die zich realiseert hoe de wereld zou zijn als mensen ogenschijnlijk andere dingen zeggen dan ze bedoelen, geluiden binnenkomen als een pneumatische boor en niets maar dan ook niets voorspelbaar is.