Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

Boeken

De meester van het aanstekelijke mopperessay

boekomslag Restjes Anathema's 9 van Rudy Kousbroek
boekomslag Restjes Anathema's 9 van Rudy Kousbroek

Rudy Kousbroek: Restjes. Anathema’s 9. Augustus, 224 blz. € 18,90

De dit weekend overleden schrijver/ essayist Rudy Kousbroek wist hoe hij een stuk moest beginnen. In zijn laatste bundel, misplaatst bescheiden voorzien van de titel Restjes, wemelt het van de geslaagde openingszinnen. ‘Het raadsel van de lelijkheid is niet specifiek Nederlands’ bijvoorbeeld. En:‘Vraag iemand Lolita na te vertellen: een onmogelijke opgave; vraag wat het belangrijkste thema is: je krijgt het verkeerde antwoord.’ En: ‘Het is mij een raadsel wat Indische restauranthouders beweegt om in gado-gado of petjèl altijd sperzieboontjes te gebruiken in plaats van katjang pandjang.’

Bij Kousbroek kun je eindeloos scherpe of grappige zinnen blijven citeren. Ware het niet dat de aandacht dan wordt afgeleid van de inhoud van de essays, de belangrijke punten die Kousbroek in dit negende deel van zijn serie ‘Anathema’s’ aansnijdt. In het Viagra-essay is dat dus een pleidooi om een einde te maken aan de ‘lange traditie van schraalheid en vreugdeloosheid, van verbieden, van iedere vorm van genoegen de kop indrukken en belasten door de mensen er schuldgevoelens over aan te praten’. In ‘Het raadsel van de lelijkheid’ verbaast hij zich over het feit dat de bewoners van beeldschone buitenlandse dorpjes bij een verhoging van hun levensstandaard niet weten hoe snel ze de boel moeten verpesten.

Ook de meester van het aanstekelijke mopperessay laat weleens een steekje vallen. Zo wordt het langste essay ‘Is het zoo geschied’ vooraf gegaan door een grappig bedoelde, maar erg flauwe samenvatting van de vaderlandse geschiedenis; terwijl ‘Niets dan kip en geen kop’ – een overbodige polemiek met een vergeten filosoof – beter niet in deze bundel was opgenomen. Wat dan weer jammer zou zijn geweest van de briljante titel.

Dat de dertig artikelen (die merendeels in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad verschenen in de periode 1994-2006) ongedateerd zijn, is een gemis; des te hinderlijker als je nog de tijdsaanduiding ‘vorig jaar’ ziet staan.

Er is veel in Restjes dat ik nooit had willen missen. ‘Net als bij Toergenjev’, schrijft Kousbroek, ‘klinkt in het proza van Karel van het Reve een toon, een manier van spreken door die mij betovert.’ Ik zou zelfs willen zeggen: net als bij Karel van het Reve klinkt in het proza van Rudy Kousbroek een toon, een manier van spreken door die mij betovert. Van de eerste tot de laatste zinnen; lees alleen maar het beeldschone slot van het essay over Victor Hugo en zijn minder begaafde tijdgenoot Tollens: ‘Ach, Tollens is dood. Beschijnt hem minzaam, hemellichten.’

Pieter Steinz