Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Beroepsonderwijs is totaal ontspoord

Megafusies, lumpsum- financiering, onbekwame onderwijsinspecteurs en competentiegericht leren hebben van het MBO een chaos gemaakt, betoogt

Ap Rutten.

Illustratie Bas van der Schot
Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Als leerlingen demonstreren tegen te veel lesuitval en tegen de lage kwaliteit van docenten, dan is er iets goed mis in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). En dat leerlingen zelf deze wantoestanden in de publiciteit moesten brengen, zegt veel over de Onderwijsinspectie.

Beschamend ook was de vertoning in de Tweede Kamer waar de ‘onderwijsspecialisten’ er niet in slaagden om ook maar één zinvolle opmerking te maken over de chaotische situatie in de ROC’s, waar het mbo grotendeels is ondergebracht. „De scholen zijn te groot”, stamelde een Kamerlid en daar bleef het eigenlijk bij.

Hoe zijn deze wantoestanden ontstaan? In 1987 bestond er praktisch consensus over een opdeling in vier hoofdsectoren: de economisch-administratieve, de technische, de agrarische en de dienstverlenende/gezondheidszorg. Als naam voor een hoofdsector werd gekozen voor Lyceum, een naam voor al het beroepsonderwijs voor 16- tot 19-jarigen die een zekere gelijkwaardigheid veronderstelt van zowel algemeen als beroepsonderwijs en die bovendien internationaal geaccepteerd is. Veel mbo-scholen veranderden hun naam in Economisch Lyceum, Technisch Lyceum, Grafisch Lyceum enz. Nog steeds voeren tientallen scholen deze naam.

Verder werd duidelijk dat de ideologische slogan ‘gelijke kansen voor ieder kind’ niet realistisch was en dat het wondermiddel ‘middenschool’ op weg was naar een mislukking. Om toch de gelijke ontwikkelingsmogelijkheden van jonge mensen nog enige vorm te geven, werden er binnen vrijwel iedere studierichting keuzevakken, verkapte tijd- en niveaudifferentiaties ingevoerd die de schijn moesten wekken dat de meerderheid van de leerlingen gelijke studiemogelijkheden hadden. Het probleem daarbij was dat de organisatie van de leerprocessen steeds complexer werd. Het lag dan ook voor de hand dat beroepsscholen zich beperkten tot één vakgebied, bijvoorbeeld techniek of verzorging.

Groot was dan ook het onbegrip in de mbo-wereld toen de politiek en het ministerie van Onderwijs vijftien jaar geleden een heel andere richting insloegen. Er werd gekozen voor een beperkt aantal mammoetscholen, Regionale Opleidingen Centra (ROC’s) genaamd, die praktisch het gehele beroepsonderwijs omvatten. Het gevolg was een fusiehoos zoals Nederland nog nooit had meegemaakt. Er ontstonden ROC’s met soms wel 30.000 leerlingen (later ‘deelnemers’ genoemd) met honderden studieprogramma’s die dikwijls geen enkele samenhang vertoonden, variërend van verpleegstersopleidingen tot opleidingen voor wegenbouwers binnen één onderwijsorganisatie.

Vanzelfsprekend was – en is – het vrijwel onmogelijk om leiding te geven aan dergelijke onderwijsorganisaties waarin honderden sterk verschillende docenten met sterk verschillende interesses, kennis en kundigheden lesprogramma’s moesten afwerken die meestal niets met elkaar te maken hebben. Het is dan ook begrijpelijk dat de schoolleiding al gauw werd ‘versterkt’ met allerlei managers zonder ervaring als onderwijsgevende ten koste van de vakleraren die dikwijls gedesillusioneerd het onderwijs verlieten. Veelzeggend is dat nu nog maar gemiddeld 45 procent van de inkomsten van een ROC naar het onderwijs zelf gaat. Voor het ROC-tijdperk was dat in de toenmalige mbo-scholen nog gemiddeld 80 procent.

De gevolgen van een dergelijke verschraling werden gecamoufleerd door een fundamentele wijziging van het leerproces. De systematische overdracht door bekwame docenten van kennis en kunde op basis van goed doordachte, getoetste leerplannen werd vervangen door een soort opdrachtencultuur die inhield dat leerlingen dikwijls zonder enige deskundige begeleiding moesten proberen om zichzelf de lesstof eigen te maken: het competentiegericht onderwijs.

Dat deze rampzalige ontwikkelingen zo lang konden doorgaan zonder dat werd ingegrepen is mede een gevolg van een andere ontwikkeling. Geleidelijk kregen de ROC’s de vrijheid om zonder controle, op basis van lumpsumfinanciering (waarvan de omvang afhankelijk is van het aantal leerlingen en het aantal geslaagden) zelf een bestedingspatroon te bepalen. Als gevolg van deze financieringswijze werden geleidelijk de toelatingseisen versoepeld en de eindexamens afgeschaft, waardoor de kwaliteit van het onderwijs sterk terugliep en een effectieve controle door de inspectie feitelijk niet meer mogelijk was.

Het is daarom een illusie dat door enkele aanpassingen deze volledig ontspoorde ROC’s weer goed beroepsonderwijs zouden kunnen aanbieden. De structuur van de organisatie en het personeelsbestand zijn daarvoor niet meer geschikt.

Berichten in dagbladen dat de oplossing wordt gezocht in ‘uitbreiding’ van het beroepsonderwijs met echte vakscholen zijn moeilijk serieus te nemen. Een drastische ingreep die begint met het opsplitsen van de slechtst functionerende ROC’s in echte vakscholen met een vakkundige leiding en een deskundig lerarenteam lijkt de enige weg naar een herstel van de chaos waar dagelijks vele duizenden leerlingen het slachtoffer van worden.

Zo’n drastische ingreep kan alleen worden uitgevoerd met een andere Onderwijsinspectie. Een inspectie die bestaat uit mensen die bewezen hebben een goede leerkracht en schoolleider te zijn. Steeds maar weer meer geld in het onderwijs pompen, zoals de meeste politieke partijen van plan zijn, werkt eerder contraproductief.

Ap Rutten was 25 jaar directeur van verschillende mts’en, voorzitter van de onderwijscommissie van de Vereniging van Middelbare Technische Scholen en vicevoorzitter van de Adviesraad Voortgezet Onderwijs.