Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Filosofie

Altijd wel iets wat hem ontroerde

Rudy Kousbroek, die zondag op 80-jarige leeftijd overleed, combineerde een onderzoekende blik met vertedering of ergernis. Zo ontstond intimiteit met zijn lezers. Een persoonlijke terugblik.

Rudy Kousbroek in 1992. Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel
Rudy Kousbroek in 1992. Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel

Toen ik lang geleden Rudy Kousbroek vertelde dat ik weer eens ging ophouden met roken, belde hij mij een paar weken later op met de mededeling dat hij aan mijn laatste stuk had kunnen merken dat ik bij het schrijven daarvan toch had gerookt. Ik vond dat een pijnlijk en verrassend oordeel. Iedereen die schrijft en rookt weet dat het opbreken van die combinatie een verschrikking is en gepaard gaat met de vrees dat stoppen met roken leidt tot noodgedwongen stoppen met schrijven. Die vrees is het meest vergiftigende effect van roken. En de gunstige verwachting van roken is ook de meest verslavende gedachte.

Ik denk dat Rudy zelf heeft getobd met de vraag of je zou kunnen merken dat een schrijver is opgehouden met roken. Uiteindelijk is hij zelf ook gestopt, maar ik vermoed dat je niet kunt aanwijzen waar de cesuur zich in zijn werk bevindt. Maar de vraag is behalve de uitdrukking van een zorg ook de inzet van een gedachte-exercitie, van een bescheiden intellectuele opgave: waaraan zou je kunnen merken dat een schrijver niet meer rookt, als je dat al kunt merken.

Een typische Kousbroek-vraag. Een persoonlijke besogne in samenhang met een onderzoekbaar probleem vind ik kenmerkend voor het werk van Kousbroek. Hoewel veel van zijn essays en columns een betogend karakter hebben, ontbreekt de persoonlijke betrokkenheid eigenlijk nooit. Er is altijd iets wat hem ontroert, vertedert, de tranen in de ogen doet springen, volkomen weerloos maakt of mateloos ergert. En die momenten krijgen een natuurlijke plaats in het betoog. Daardoor ontstaat tussen schrijver en lezer een intimiteit waar je niet op had durven hopen.

Rudy Kousbroek heeft de essayistiek in Nederland vernieuwd. In de eerste plaats omdat hij literair kon schrijven over natuurwetenschap en techniek. Hij kon de werking van een apparaat uitleggen als betrof het de interpretatie van een gedicht. Als hij op bezoek was, repareerde hij graag al converserend een bureaulamp of broodrooster met de voorzichtigheid van een kinderarts. Hij droeg uit dat zijn belangstelling voor natuur en techniek op een soort verliefdheid gebaseerd was, een belangeloze toewijding die vervulling verdient, net als in de menselijke omgang.

Hij is ook de eerste geweest die met gezag getoond heeft dat columns over ideeën kunnen gaan, terwijl in zijn begintijd, zo omstreeks de jaren zestig, de meeste columnisten nog de navolging zochten van Kronkel en zich dus toelegden op het introduceren van typetjes. Hij had een ongelooflijke hekel aan domheid en zelfgenoegzaamheid, vooral in combinatie. In de bestrijding daarvan toonde hij zich een onverschrokken polemist. Vaak ook zeer geestig. Maar het ging niet alleen om domheid en zelfgenoegzaamheid. Het ging ook om de maatschappelijke instituties die deze menselijke trekjes bevorderden of voor hun voortbestaan vereisten, zoals de religie, de pseudowetenschap, het obscurantisme, het chauvinisme en de liefdeloze superioriteitswaan.

Vooral religie en obscurantisme moesten het ontgelden of de afgeleiden daarvan in de voorkeur voor totalitaire ideologieën en boosaardig ressentiment. Het is natuurlijk de kunst daar niet te zwaarwichtig in te zijn om een zekere lichtheid voor het ongeloof te bewaren. Die kunst verstond Kousbroek als geen ander. Treffend geëffectueerd door het stellen van simpele vragen: Waarom verricht Maria nooit eens een wonder in Mekka? Een verpletterende vraag voor moslims en christenen gelijkelijk.

Men zou Kousbroek als schrijver en persoon tekortdoen als men in hem vooral de bestrijder van onzin en waandenkbeelden zag. Op zich zou zijn polemische activiteit hem al terecht een eervolle plaats in de literatuurgeschiedenis bezorgen. Maar zijn talent is veel groter. Hij heeft prachtige stukken geschreven die het beste getypeerd kunnen worden als het resultaat van liefdevolle opmerkzaamheid. Het ontdekken van raadselachtige schoonheid in gewone dingen, het zien van een wonderbaarlijke samenhang in trivialiteiten. Het articuleren van ontroering bij toevallige kwetsbaarheid. De essays verzameld in de drie delen Fotosynthese getuigen daarvan.

Het werk van Kousbroek is regelmatig bekroond. Interessant is het eredoctoraat in de wijsbegeerte dat hem verleend werd door de Universiteit van Groningen. Hij voelde zich daar een beetje ongemakkelijk onder, beducht als hij was voor de pose van gewichtigheid, die veel filosofen eigen is en waarmee je niet besmet moet worden. Hij had waarschijnlijk liever erkenning gehad van de dieren, waarvan hij het aangrijpende lot zo prachtig beschreven heeft in de bundel Medereizigers. Een van de filosofische opgaven die hij ons nagelaten heeft is het vinden van een beschaafde relatie tot het dier.

Jaap van Heerden (1940) is filosoof, psycholoog, essayist. Hij is hoogleraar in Maastricht en was bevriend met Rudy Kousbroek.

Necrologie: pagina 11