Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

De barbaren zijn onder ons

Op het eerste gezicht lijkt De Barbaren van de Italiaanse populaire romancier Alessandro Baricco een klassieke cultuurkritiek. Toch is er meer aan de hand. Juist in de canonisering van cultuur schuilt volgens Baricco een gevaar.

Alessandro Baricco: De barbaren (I Barbari). Vertaald door Manon Smits. De Bezige Bij, 237 blz. € 23,90.

Weinig is zo voorspelbaar als cultuurkritiek die het einde van de beschaving aankondigt. Altijd weer staan de barbaren voor de poort, of ze hebben zich al onder de massa gemengd. Nog even en ook het laatste bolwerk zal bezwijken, als er niet razendsnel actie wordt ondernomen. Zelden verdwijnt de beschaving echt, maar dat wil nog niet zeggen dat de cultuurcritici ongelijk hebben. Integendeel, de geschiedenis bestaat uit permanente verandering, destructie en creatie, en telkens als het om fundamentele veranderingen gaat, is het voor de verliezers alsof de wereld instort.

In weerwil van hun sombere boodschap worden cultuurkritische geschriften vaak bestsellers. Lezen we dan zo graag dat het einde nabij is? Volgens mij zit het net even anders. Meestal worden de ‘barbaren’ namelijk nauwgezet geïdentificeerd: het komt allemaal door de massamens, het verval van de metafysica, het consumentisme, de invloed van Amerika, de aanbidding van de techniek etc. Lees je zo’n requisitoir met gloeiende instemming, dan weet je één ding zeker: ik sta aan de goede kant – om daarna onbezwaard door te gaan met niet in God te geloven, te consumeren, naar westerns te kijken en de computer te gebruiken.

De barbaren van de populaire Italiaanse romanschrijver Alessandro Baricco is op het eerste gezicht ook zo’n klassiek cultuurkritisch geschrift. De titel zegt het al. Aan de ene kant staat de beschaving (‘wij’), aan de andere kant de barbaren die van alles ‘de ziel’ vernietigen. Baricco begint met de bezichtiging van drie ‘dorpen’ die al zijn geplunderd: het dorp van de wijn, waar de ‘Hollywoodwijn’ (die al zijn geheimen meteen in de eerste slok onthult) een eeuwenoude wijncultuur heeft verdrongen; dat van het voetbal, waar de barbaarse rol verrassenderwijs blijkt te zijn weggelegd voor het Nederlandse ‘totaalvoetbal’; en het dorp van het boek, waar commercialisering en schrijvende tv-sterren de literaire fijnproevers naar het leven staan. Men hoeft maar even om zich heen te zien om met Baricco in te stemmen. Ja mijnheer, alles wordt minder.

Hierna zou het requisitoir moeten volgen, maar dat blijft achterwege. En dan wordt De barbaren opeens interessant. Nee, dit is toch niet de zoveelste cultuurkritische boetepreek, maar iets heel anders – een poging om te begrijpen wat er precies aan de hand is, zonder dat alles wat de auteur niet zint bij voorbaat wordt verketterd.

Anders is het boek ook in formeel opzicht. Het is oorspronkelijk in afleveringen in een krant verschenen. Dat betekent dat Baricco een breed publiek moest bedienen: wie bezorgd is over de beschaving en haar verval komt aan zijn trekken doordat de auteur het steeds over ‘barbaren’ heeft, terwijl de doorsneekrantenlezer bij de les wordt gehouden door een familiaire stijl, met veel jij en jou, net als in de catalogi van Ikea. Voor de schrijver zelf lijkt de keuze voor de krant een manier om zijn boek over de barbaren in het hol van de leeuw te laten ontstaan – kennelijk rekende hij de inmiddels óók bedreigde krant in 2006 (toen het Italiaanse origineel van De barbaren uitkwam) nog niet tot de beschaving.

Van angst voor besmetting met barbaarsheid heeft Baricco geen last. Die besmetting is volgens hem toch onontkoombaar. De barbaren komen niet van buiten, maar uit de beschaafde samenleving zelf; ze zijn het gevolg van veranderingen die zich dáár hebben voorgedaan. Baricco noemt onder andere: technologische vernieuwing, sociale mobiliteit (waardoor de cultuur opeens voor hele nieuwe bevolkingslagen toegankelijk is geworden) en globalisering, oftewel (met een stilzwijgend aan Negri en Hardts neocommunistische bestseller Empire ontleende term) ‘imperialisme’. Oorzaak en gevolg zijn overigens niet makkelijk uit elkaar te houden, maar dat is niet Baricco’s eerste bekommernis; belangrijker vindt hij het om de verandering, die hij ‘mutatie’ noemt, als geheel in het oog te krijgen.

Dan blijkt niet zozeer sprake te zijn van een afbraakproces, ook al verdwijnt overal de ‘ziel’, als wel van de opkomst van iets nieuws, van een andere manier om het leven te ervaren en de dingen te waarderen. Anders, maar niet per se slechter – waarmee Baricco zichzelf in het licht van de oude cultuurkritiek uiteraard ontmaskert als een relativist en een historist, iemand die niet gelooft in het bestaan van tijdloze waarden en waarheden.

Dat klopt, aangezien Baricco vervolgens de bedreigde beschaving ontmaskert als het plaats- en tijdgebonden eigendom van de romantische bourgeoisie van de 19de eeuw. Veelzeggend is het tot motto gekozen citaat van de conservatieve muziekcriticus die Beethovens Negende, hét paradepaardje van de nieuwe burgerlijk-romantische cultuur, kort na de première als een symptoom van verval afschilderde.

Wat we nu meemaken is dus niets bijzonders, suggereert Baricco. Zo gaan culturele ‘mutaties’ in hun werk. Het nieuwe wordt altijd als barbarij begroet door het oude. Dat maakt het niet minder zinvol om te vatten wát er precies verandert, hoe lastig dat ook is, omdat bij zulke mutaties de taal om ze te begrijpen vaak nog moet worden uitgevonden. Baricco’s onderneming ontleent er haar spanning aan, want precies dát probeert hij te doen, als een echte essayist.

Zolang het over wijn, voetbal en boeken gaat is alles moeiteloos te volgen. Maar om het ‘geheel’ te vangen komt Baricco met enkele meer abstracte begrippen, zoals ‘spectaculariteit’ en ‘sequentie’, die hun betekenis en bereik niet meteen prijsgeven. De spectaculariteit lijkt een – opnieuw stilzwijgende – verwijzing naar Guy Debords La société du spectacle (1967), maar wat houdt het in? Dat iets spectaculair is, wil zeggen dat het meteen, in één keer indruk maakt, overweldigt en bevredigt. Je hoeft er, om zo te zeggen, geen moeite voor te doen.

En dat is waar Baricco ons wil hebben, want inspanning als voorwaarde om tot iets waardevols te komen, dat hoort juist helemaal bij de oude beschaving. Voor de burgers van de 19de eeuw was de inspanning die ze moesten doen om Beethoven te begrijpen een genoegen. Maar zo is het niet meer voor de jonge barbaren van nu. De toegenomen complexiteit van de beschaving heeft een wanverhouding doen ontstaan tussen inspanning en genoegen. Met als gevolg dat men liever op zoek gaat naar gemakkelijker ‘inspanningen’, die wel leuk zijn.

Dankzij alle inspanning hoopte de beschaafde burger door te dringen tot de essentie van de dingen, maar tegenwoordig gaat het er eerder om het ene ding met zoveel mogelijk andere dingen te verbinden. Daar hebben we de ‘sequentie’, die een zo groot mogelijke hoeveelheid ‘wereld’ bijeenbrengt aan de oppervlakte, terwijl men vroeger in de diepte op zoek ging naar één kern.

Exemplarisch voor dit opereren in sequenties is volgens Baricco de zoekmachine Google. Bij Google is het de hoeveelheid verwijzingen en links die de rangorde van de informatie bepaalt. Kwantiteit heeft het definitief gewonnen van kwaliteit – hét schrikbeeld van de klassieke cultuurkritiek. Ook de ‘democratie’ brengt Baricco, met enige schroom weliswaar, onder bij de verschijnselen die de barbarisering van de samenleving hebben versterkt. En er zijn nog meer concrete voorbeelden, variërend van ‘de film’ tot de volstrekt willekeurige omgang met ‘het verleden’. Langzaam maar zeker komen zo de contouren van de hele mutatie, zij het nooit haarscherp (want daarvoor is het nog te vroeg), in beeld. Hoe meer dat gebeurt, des te kleiner wordt het belang van het onderscheid tussen beschaving en barbaren.

In de epiloog, zogenaamd geschreven tijdens een wandeling op de Chinese Muur (het symbool bij uitstek van de blinde afweer tegen al het barbaarse), laat Baricco het hele onderscheid zelfs varen. Want het blijkt juist de Muur te zijn die het onderscheid in het leven roept: de defensie is tegelijk de oorzaak van de bedreiging, doordat zij elke verandering uitsluit en het bestaande verabsoluteert. In een geschiedenis die uit verandering bestaat is zo’n Muur zinloos, net als destijds in China. Een echte mutatie valt niet tegen te houden; ook wie dat probeert, ontkomt er niet aan. Daarom concludeert Baricco: ‘Wij zijn allen mutanten’.

Blijft niettemin één prangende vraag: moeten we alles wat zich aandient klakkeloos accepteren? Nee, vindt Baricco, er blijft altijd een mogelijkheid om te sturen. Niet al het oude is gedoemd te verdwijnen, wat ons dierbaar is kunnen we meenemen in de mutatie en zo behouden voor de nieuwe wereld.

Wat precies?

Daarover zegt Baricco ‘geen al te duidelijke ideeën’ te hebben. Met het beeld (ontleend aan een roman van Cormac McCarthy) van een man die in de rotsen een watertrog heeft uitgehakt, suggereert hij wél waar het volgens hem op aan komt: geef wat je dierbaar is een solide vorm waar anderen ook wat aan hebben, zonder jezelf en je voorkeuren te verloochenen. Maar, luidt de boodschap van de rest van het boek, wees ook zo verstandig om die voorkeuren steeds als voorkeuren te blijven zien en ze niet te veranderen in even onaantastbare als illusoire verplichtingen.