Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Onderwijs

Studenten blijven in eigen land

Het ‘Bolognaproces’ moest het hoger onderwijs in Europa tot een eenheid smeden.

Maar zie je studiepunten maar eens erkend te krijgen.

Magdalena Rotsztejn
Magdalena Rotsztejn

Trots lanceerden 47 Europese ministers van onderwijs halverwege vorige maand de European Higher Education Area. Op een meerdaagse bijeenkomst in Wenen en Boedapest sloten zij de eerste tien jaar van het ‘Bologna-proces’ af. In hun slotverklaring noemden ze dat proces een „ongekend voorbeeld van grensoverschrijdende samenwerking op onderwijsgebied”.

Nu, anno 2010, zou er een „internationaal competitieve en aantrekkelijke” Europese onderwijsruimte moeten bestaan: de EHEA. Dat spraken in 1999 de toenmalige ministers van Onderwijs in Bologna af. Diploma’s, titels en de kwaliteit van opleidingen van alle deelnemende Europese landen zouden onderling vergelijkbaar zijn. „Een ruimte waarin onderwijsinstellingen hun missie in de kennismaatschappij vervullen en studenten het best mogelijke studiepad kunnen kiezen, en daarbij profiteren van mobiliteit met soepele en eerlijke erkenning van hun diploma’s”, om met de ministers te spreken.

Die gemeenschappelijke onderwijsruimte bestaat helemaal niet. Fictie, noemt Karl Dittrich die benaming zelfs. Hij is voorzitter van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, die alle opleidingen in het hoger onderwijs in Nederland en België beoordeelt. „Dat die ruimte kennelijk formeel een feit is, wil absoluut niet zeggen dat werkelijk sprake is van één geheel”, zegt Dittrich. In de praktijk blijken deelnemende landen op totaal verschillende snelheden te werken aan de ‘Bologna’-doelen. „Lang niet alle landen zijn even zeer bereid hierin te investeren.”

De vrijblijvendheid van de afspraken staat het behalen van de doelen in de weg. In 1999 waren er 29 deelnemende landen, dat zijn er nu 47 – vorige maand haakte Kazachstan als voorlopig laatste aan. Zuidoost-Europa loopt mijlenver achter op het noordwesten, zegt Dittrich. Hij vertelt dat hij een Italiaanse ambtenaar over Bologna hoorde zeggen: „Wij Italianen, ach, wij tekenen alles.” Dittrich: „En daarna gaan ze over tot de orde van de dag en verandert er niets. Terwijl een land als Nederland zich bewust is dat internationalisering belangrijk is, en daar dus in investeert.”

Op het eerste gezicht echter, is door ‘Bologna’ wel degelijk veel veranderd in het hoger onderwijs in Europa. Zo heeft inmiddels 95 procent van alle hoger onderwijsinstellingen in de deelnemende landen nu het bachelor-mastersysteem ingevoerd. En 90 procent van die instellingen gebruikt ook het European Credit Transfer and Accumulation System, het systeem dat een collegejaar over 60 studiepunten – de ECTS – verdeelt.

Juist door de focus op die technische, administratieve ontwikkelingen hebben landen de concrete bedoelingen van ‘Bologna’ uit het oog verloren. Dat zegt ook Don Westerheijden, die voor het Center for Higher Education Policy Studies van de Universiteit Twente onafhankelijk onderzoek coördineerde over tien jaar ‘Bologna’. „De architectuur van het geheel staat. Maar door weerstand, onbegrip en onkunde bij veel instellingen in Europa blijven de goede ideeën nu grotendeels ongebruikt.”

Eén van de belangrijkste doelen van Bologna was dat de mobiliteit van studenten binnen Europa toe zou nemen. Als instellingen op dezelfde manier hun studiepunten zouden bijhouden, zou elders gaan studeren vanzelf gemakkelijker en aantrekkelijker worden, was de gedachte. In de praktijk vinden universiteiten het lastig om andere studiepunten gelijkwaardig aan de ‘eigen’ punten te zien, vertelt Westerheijden. „Veel universiteiten hebben daar nog rigide opvattingen over. Soms erkennen ze de punten alleen als die andere universiteit exact dezelfde leerboeken voor een vak gebruikt.” De cijfers geven Westerheijden gelijk: de wederzijdse erkenning van studiepunten en diploma’s is er in de loop der jaren niet beter op geworden. De European University Association doet daar om de paar jaar onderzoek naar. In 2010 was ten opzichte van 2003 het aantal instellingen gestegen waarin studenten problemen hebben met erkenning van studiepunten, met 4 procentpunt tot 54 procent.

Ook de stijging van mobiliteit laat te wensen over. De absolute groei is met 38 procent hoog te noemen, totdat je in aanmerking neemt dat in alle landen de studentenpopulaties flink in aantal toenamen. Dan blijft er relatief maar een groei van 4 procent van over. Dat betekent dat in 1999 1,9 procent van de studenten binnen de Europese onderwijsruimte uit een ander EHEA-land kwam – in 2007 steeg dat aantal slechts naar 2 procent. En bij die lage stijging telt ook nog een beweging mee die al gaande was vóór het Bologna-proces: studenten uit Oost-Europa die graag naar het westen trekken voor hun studie – of die nu wel of niet in ECTS wordt afgewogen.

Het schort bij universiteiten en hogescholen ook aan bereidheid tot verandering, ziet onderzoeker Westerheijden. Door het bachelor-mastersysteem moesten veel vakken korter. Docenten in onder andere Duitsland en Oostenrijk vinden dat hun academische vrijheden worden ingeperkt. „Geen professor wil zijn vak opgeven, dus moeten studenten veel meer examens afleggen dan voorheen.” De schoolsere aanpak met meer vakken verhoogt de studiedruk voor studenten. In combinatie met de nieuwe, kortere studieduur kan dat reden zijn om af te zien van een verblijf in het buitenland. „In een bachelor hoort nu ook een afsluitend werkstuk, dus daar blijft weinig tijd over. En in een master van slechts een jaar is het ook lastig om lang naar het buitenland te gaan. Zeker als het programma van de universiteit strak is dichtgetimmerd”, schetst Karl Dittrich van de NVAO.

Hoe dan ook, de Europese onderwijsministers houden de moed erin. Ze spraken vorig jaar af dat in 2020 minstens 20 procent van de Europese studenten een deel van de studie in het buitenland moet hebben doorgebracht. Dittrich is daar niet eens sceptisch over: „In Nederland zouden we dat percentage wel kunnen halen.” Bovendien moet je deze ontwikkelingen niet op een termijn van slechts tien jaar willen bekijken, zegt hij, zoals de ministers nu hebben gedaan. „Dit soort veranderingen kost zeker twintig tot dertig jaar.”