Zorg is de tirannie van de zwakken

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: collectieve zorg als inbreuk op de autonomie.

Amerikanen hebben er sinds vorige week een recht bij gekregen: het recht op een zorgverzekering. De nieuwe zorgwet, die met een nipte meerderheid door het Amerikaanse Congres werd aangenomen, verbiedt het zorgverzekeraars voortaan klanten te weigeren – op straffe van een boete van honderd dollar per dag. Daarmee is president Obama gelukt wat zeven Democratische voorgangers de afgelopen honderd jaar niet voor elkaar kregen: de ziekenzorg voor alle Amerikanen toegankelijk maken. The New York Times betitelde de overwinning van de Democraten dan ook als „een prestatie van historische omvang”.

Door een internationale bril bekeken ziet de zorgwet er echter veel minder baanbrekend uit. De Verenigde Staten zijn het laatste geïndustrialiseerde land in de wereld dat het recht op een ziektekostenverzekering wettelijk vastlegt. In alle andere rijke westerse landen bestaat dat recht al jaren. Bovendien krijgt Amerika nog steeds geen publieke zorgverzekering, zoals in veel Europese landen.

Zorgverzekeraars blijven dus commerciële ondernemingen, gedreven door de logica van de markt: ze mogen weliswaar geen klanten weigeren, maar zullen er alles aan blijven doen zo min mogelijk vergoedingen uit te keren. Critici voorspellen dan ook dat ze de boete voor het ontzeggen van een verzekering gewoon voor lief zullen nemen als iemands medische zorg duurder uitvalt dan honderd dollar per dag. Voor veel chronisch of ernstig zieke patiënten is dat zeker het geval.

Dat de zorg volledig aan marktwerking onderhevig blijft, is te danken aan de Republikeinen, die alles uit de kast hebben gehaald om een fundamentele hervorming van het Amerikaanse zorgstelsel te blokkeren. Ondanks de nieuwe wet zijn ze daar voor een belangrijk deel in geslaagd. Oorspronkelijk pleitte president Obama ervoor om een door de overheid gefinancierd ziekenfonds op te richten waarmee commerciële verzekeraars konden worden beconcurreert, maar van dat voornemen is door hevige oppositie niets overgebleven.

De Republikeinen bestempelden het plan als een ongrondwettelijke inbreuk op de persoonlijke vrijheid van burgers en waarschuwden voor een socialistische heilstaat waarin de overheid zou bepalen wie recht had op zorg en wie niet. Er werden zelfs geruchten verspreid dat de overheid ouderen zou dwingen tot euthanasie.

Voor een Europeaan die het vanzelfsprekend vindt dat de overheid aan zijn doktersrekeningen meebetaalt, is het hysterische verzet van de Republikeinse partij onbegrijpelijk. Waarom zou een collectieve zorgverzekering – of zoals nu het geval is: een verzekeringsplicht – een inbreuk zijn op de autonomie van burgers? En waarom heeft het socialisme, dat in Europa toch een gangbare politieke stroming is, in Republikeinse kringen een dusdanig negatieve connotatie dat het zonder pardon ‘fascistisch’ wordt genoemd? Weinig Europese kranten hebben zich de moeite getroost die vragen überhaupt te stellen en dat is ergens wel begrijpelijk: de kritiek van de Republikeinen leek soms eerder geveinsd dan gemeend, uitsluitend bedoeld om de Democraten te saboteren.

Maar voor zover de bezwaren oprecht waren, zijn ze wel terug te voeren op de Republikeinse filosofie. Het republicanisme is er namelijk van oudsher altijd op gericht geweest om de invloed van de staat zoveel mogelijk te beperken ten gunste van de individuele burger. Denkers in deze traditie, zoals de Fransman Charles de Montesquieu (1689-1755) en de Brit John Milton (1608-1674), benadrukten daarom altijd het belang van een grondwet waarmee de invloed van overheden kon worden begrensd; van periodieke verkiezingen waarmee machthebbers op hun daden konden worden afgerekend en van een strikte scheiding der machten.

Ten grondslag aan deze ideeën ligt een specifieke opvatting van vrijheid, die het beste begrepen kan worden middels het beroemde onderscheid dat de Britse denker Isaiah Berlin (1909-1997) ooit maakte tussen positieve vrijheid (vrij zijn om) en negatieve vrijheid (vrij zijn van). Het republicanisme behelst voornamelijk een negatieve conceptie van vrijheid, namelijk: de vrijheid van overheersing en inmenging door derden.

In de republikeinse zin van het woord hoeft een mens dus niks te doen, te worden of te kunnen om vrij te zijn; als iemand gevrijwaard is van bemoeienis of afhankelijkheid van anderen is dat voldoende. Voor Republikeinen betekent vrijheid dus niet zozeer de aanwezigheid van mogelijkheden, maar eerder de afwezigheid van dwang.

Om die reden beschouwen ze een verzekeringsplicht als een grove inbreuk op de autonomie; de staat dwingt alle burgers immers tot een keuze. Dat 32 miljoen Amerikanen die keuze überhaupt niet hadden, omdat ze zich geen verzekering konden veroorloven of omdat de verzekeraar hen weigerde als klant, is voor een Republikein van ondergeschikt belang: het gaat niet om de aanwezigheid van mogelijkheden, maar om de afwezigheid van dwang. Daarin verschillen de Democraten fundamenteel van denkwijze. Zij hebben een positieve opvatting van vrijheid en vinden daarom dat de autonomie van burgers juist toeneemt als de overheid ze aan een verzekering helpt.

Het cruciale verschil is hier dat aan positieve vrijheid een idee ten grondslag ligt van wat het betekent om een ‘goed leven’ te leiden en aan negatieve vrijheid niet. Dat wil zeggen, voor een Democraat is een mens vrij voor zover hij een bepaald soort leven kan leiden; voor een Republikein is een mens vrij voor zover hij een zelfgekozen leven leidt. Of, om het in politieke termen samen te vatten: een Democraat vindt dat de overheid de mens niet aan zijn lot mag overlaten, terwijl een Republikein vindt dat de overheid zich niet met dat lot te bemoeien heeft.

Beide wereldbeelden hebben, in hun uiterste consequentie doorgevoerd, een keerzijde. Het probleem van het republicanisme is dat zwakkere individuen niet opgewassen zijn tegen grotere maatschappelijke krachten, zoals rijke verzekeringsmaatschappijen. Zonder hulp van de overheid kunnen zij dus niet werkelijk vrij zijn in hun keuzes. Democraten betichten hun tegenstrevers daarom van ‘anarchisme voor de rijken’: in een republikeinse wereld is alleen de bovenklasse autonoom.

Daartegenover stellen de Republikeinen dat een interveniërende overheid zélf ook een krachtenveld is waar juist het sterkere individu machteloos tegenover staat. Om 32 miljoen onverzekerde burgers te ‘helpen’, verplicht de staat nu alle Amerikanen een polis te kopen. De Republikeinen beschuldigen hun opponenten om die reden van ‘tirannie van de zwakken’: in een democratische wereld is het lot van de onderklasse de norm.

Hieruit vloeit ook hun diepgewortelde weerzin tegen het socialisme voort. Republikeinen beschouwen het socialisme als een systeem waarin de overheid rijkdom en prestaties bestraft en armoede en hulpeloosheid beloont, uit naam van een pervers gelijkheidsideaal. Daarmee wordt de samenleving als geheel verzwakt, stellen zij. Niet voor niets is het kapitalistische Amerika een supermacht en het socialistische Europa niet.

Deze kritiek delen ze met de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), die het socialisme zag als een rampzalige ‘filosofie van de kudde’ waarmee mensen tot hulpeloze slachtoffers werden gebombardeerd door ze voor te houden dat ze alleen tot iets in staat waren als ze zich organiseerden in een collectief (‘Yes we can’) in plaats van door persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen over hun eigen leven.

De ironie is echter dat Nietzsche de oorsprong van deze denkwijze herleidt tot de religie die de meeste Republikeinen aanhangen, namelijk: het christendom. Het christendom introduceerde immers het gelijkheidsdenken in het Westen door te stellen dat ieder mens ‘gelijk is in het aanzien van Gods’ en combineerde dat met het idee dat medelijden met de zwakken een deugd is. Juist uit die combinatie kwam het socialisme voort, aldus Nietzsche. In zijn ogen zou een ‘christelijke Republikein’ dus een contradictio in terminis zijn: iemand die óf zijn eigen religie niet begrijpt, óf bij de verkeerde partij zit.

Diezelfde paradoxale houding hebben de Republikeinen volgens critici ook ten aanzien van de overheid. Want, aan de ene kant spreken ze van te veel overheidsbemoeienis als het gaat om publieke gezondheidszorg (‘no government run healthcare’), maar tegelijkertijd zijn ze wél voor het hebben van een groot leger. En terwijl ze een verzekeringsplicht afschilderen als een inbreuk op de vrijheid, zien ze de dienstplicht juist als een teken van vrijheidlievend patriottisme.

In de ogen van de Democraten is dat hypocriet, maar voor Republikeinen is het volstrekt logisch: het leger beschermt namelijk het soort vrijheid waar zij voor staan (vrijheid van buitenlandse overheersing) en de gezondheidszorg niet. Toch kun je je afvragen hoe steekhoudend die denkwijze is. Want, wie ziek is en zijn medicijnen niet kan betalen, is ook niet in staat om in het leger te dienen. Daarom hebben militairen volgens de Republikeinen wél recht op toegankelijke gezondheidszorg. Beter kun je de ironie niet samenvatten.