Studie: medicijnen Werk: vioolbouwer

In de carrièremeetlat vertelden 206 mensen over hun studie en loopbaan.

De belangrijkste conclusie: studie maakt voor iemands carrièreverloop weinig uit.

Een studie voorspelt lang niet altijd een carrière. Neem het interview met Winnie Teschmacher vorige week in deze krant. Teschmacher studeerde lichamelijke opvoeding, maar werkt als glasblazer. „Ik heb drie jaar lesgegeven, maar het was mijn wereld niet”, zei ze hierover. „In de lerarenkamer vroegen ze ‘in welke schaal zit je?’. Zij hadden het over geld, ik over expressie.”

Het duo-interview met Teschmacher en haar oud-studiegenoot Lia Klop, was de laatste in een reeks van 103 afleveringen van de rubriek de carrièremeetlat. In de meetlat werden sinds 25 juli 2007 elke week twee oud-studiegenoten geïnterviewd, die in verschillende beroepen terecht zijn gekomen. De interviews leidden tot één belangrijke conclusie: een studie maakt voor iemands carrièreverloop bar weinig uit.

Toch?

Lector pedagogiek van de beroepsvorming Frans Meijers aan De Haagse Hogeschool durft het zelfs nog sterker te stellen: „Wat je gestudeerd hebt doet er helemaal niet toe. Als je maar gestudeerd hebt.”

En dan het liefst op een zo hoog mogelijk niveau, legt Meijers uit. „Zodat je hoog op de maatschappelijke ladder kunt instappen. Een diploma is steeds meer een kaartje tot een arena. Welke baan je krijgt hangt van andere dingen af.”

Daarbij geldt: hoe hoger opgeleid, des te groter de kans op een beroep dat met een studie nauwelijks meer iets van doen heeft. Eén op de vijf hbo’ers en 30 procent van de wo’ers werkt na afstuderen in een functie die niet aansluit op de opleiding. Dat blijkt uit opgevraagde cijfers van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht.

In de carrièremeetlat was dit regelmatig terug te zien. Zoals de student Slavische talen die eindigde als SP-Kamerlid. Of de afgestudeerde arts Michael van Berkum, die op 28 oktober 2009 vertelde: „Het werk als arts na de studie viel tegen. Vaak had ik het idee dat patiënten zelf voor de oplossing verantwoordelijk waren.” Van Berkum pakte zijn oude hobby als vioolbouwer op. Hij heeft nog steeds een muziekwinkel in Zutphen.

Uit de cijfers van het ROA blijkt dat vooral economisch en agrarisch geschoolde hbo’ers en universitair geschoolde gedrags-, maatschappij-, taal- en cultuurwetenschappers eindigen in banen waarvoor ze niet direct zijn opgeleid. Bij een taal- en cultuurstudie is de kans zelfs kleiner dan de helft (47 procent) dat je ook daadwerkelijk als Neerlandicus of antropoloog aan het werk gaat.

Deze trend is in de meetlatinterviews terug te zien. Van de 32 geïnterviewden met universitaire opleidingen binnen gedrag-, maatschappij-, taal- of cultuurwetenschappen werken er veertien niet in een beroep dat duidelijk raakvlak heeft met de opleiding.

Van de vier cultureel antropologen hadden er twee (onbetaald promovendus en fondsenwerver voor een ontwikkelingsorganisatie) een baan gerelateerd aan antropologie. De andere twee werken als communicatieadviseur bij de gemeente Nieuwkoop en met dak- en thuislozen. De laatste zei hierover in de meetlat van 2 januari 2008: „Als antropoloog schrijf je boeken voor de bibliotheek, waar misschien nog eens een student in kijkt. Ik vroeg me af wat mensen hiermee opschieten.”

Maar als een diploma niet meer bepaalt waar je terechtkomt, wat dan nog wel? Persoonlijke eigenschappen worden belangrijker in een baan. „Werkgevers kijken bij sollicitaties naar zelfvertrouwen en passie”, legt Meijers HIER BEN JE VERGETEN WIE DAT IS uit. „Dit is veel belangrijker dan dertig jaar geleden. We leven in een diensteneconomie. En niemand koopt een dienst van iemand die daar zelf niet in gelooft. Werknemers moeten plezier uitstralen.”

En waar leer je dat plezier nog? Niet op school, dat leert plezier eerder af volgens Meijers. „Van de basisschool tot universiteit leren we eerst theorie, en dan pas praktijk. En dat terwijl het in het echte leven precies andersom is. Mensen kunnen goed nadenken, maar dat betekent niet dat we nadenken ook altijd leuk vinden.”

Studenten van opleidingen die weinig met praktijk van doen hebben, dus juist economische opleidingen of maatschappijwetenschappen, hebben volgens Meijers daarom tijdens de opleiding „het hart niet ontwikkeld”. „Ze zijn klaar, en hebben vervolgens geen idee wat ze willen.”

Niet zo gek dus dat studenten na hun opleiding vaak op oudere passies teruggrijpen. En dat veel van de geïnterviewden van de meetlat met specifieke, theoretische opleidingen in andere beroepen terechtkomen.

Daarbij speelt ook nog mee dat vooral wo’ers van specifieke opleidingen als ze het wél weten, simpelweg niet altijd een baan in hun sector kunnen vinden. Loopbaanadviseur Tineke Rutgers van de Universiteit Leiden ziet ze regelmatig voorbijkomen: „Voor afgestudeerden met een titel in een hele specifieke opleiding is het lastig. Zie met een titel in Indologie of Chinese kunst maar eens werk te zoeken.”

Dan kan een tweede studie uitkomst bieden, want studeren is al lang niet meer alleen bedoeld om werk te vinden. Anneke Peters studeerde business administration aan Nyenrode en kunstgeschiedenis in Leiden. Ze werkt als consultant bij Ernst & Young. Met kunstgeschiedenis doet ze niks meer, vertelde ze in de carrièremeetlat van 4 juni 2008: „Maar het is een studie die je prima als hobby kunt benutten.”