OM blijft hardleers

En weer was het raak. Begin deze maand stuurde de strafrechter in Amsterdam vier verdachten van cocaïnehandel naar huis omdat het Openbaar Ministerie (OM) ontlastende informatie had verzwegen. En waarschijnlijk met opzet, om te verhullen dat één van de verdachten een infiltrant van de Duitse douanerecherche was die de drugstransactie had helpen organiseren. Dat sprak het OM weliswaar tegen, maar er bleken harde bewijzen van het tegendeel te bestaan.

Hier werd de rechter belazerd, die dan ook in geharnaste taal de zaak in de prullenbak wierp. Hoger beroep kan voor een herkansing zorgen. Maar de klap in eerste instantie is hard genoeg om al vragen te mogen stellen. Ook omdat er sprake lijkt van een patroon, de doorgaans energieke ontkenning van de leiding van het OM ten spijt.

Met akelige regelmaat worden strafzaken niet-ontvankelijk verklaard omdat het parket de regels van het strafproces schendt. In één geval klaagde de rechter zelfs dat de integriteit van zijn rechtbank in gevaar was gebracht.

Eén van de drie hoogleraren strafrecht die gisteren de drugszaak in de krant bespraken, noemde zijn commentaar een „moedeloze verzuchting”. Het OM heeft een gebrek aan „ethische antenne”, vermoedde hij. Het zou ook „laksheid, onbenulligheid, scoringsdrift, gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef of ervaring” kunnen zijn geweest.

Het OM kent het probleem. En de oplossing. Op zijn website feliciteert het college van procureurs-generaal zichzelf met de „enorme inspanningen” van het ‘Versterkings- en Kwaliteitstraject’ voor officieren. De site gebruikt bemoedigende taal over de „zichtbaar transparante en integere werkwijze” die wordt nagestreefd. Tal van ijkpunten en ambities worden opgesomd. Zelfreflectie wordt nagestreefd. Het belang van magistratelijkheid, in de term „betrokken distantie” samengevat, wordt onderstreept. Interne „tegenspraak” wordt georganiseerd, om tunnelvisie te voorkomen.

In woorden klopt het. Maar ook in daden?

In de Amsterdamse cocaïnezaak werd zichtbaar dat het werken met criminele informanten tot een don’t ask don’t tell-praktijk heeft geleid. Dergelijke infiltratie leidt tot corruptie en samenwerking. Midden jaren negentig is het afgeschaft, na de parlementaire enquête Opsporingsmethoden. Maar de praktijk is weerbarstig. Iedere crimineel, met wie politie zaken doet, is sindsdien per definitie ‘informant’. Juridisch staat en handelt hij alleen. Ook als justitie vermoedt, medeweet of wegkijkt van wat er echt gebeurt.

Dit verkrampt zwijgen manifesteerde zich in deze zaak, waarin feiten kennelijk werden achtergehouden. Totdat bleek dat een verdachte in detail werd aangestuurd door een Duits douaneteam en dus voluit crimineel in vaste dienst was. Het exacte tegendeel van een transparante werkwijze.

Mogelijk ziet het gerechtshof de zaak nog anders. Ook de wetgever kan concluderen dat infiltratie, onder speciale voorwaarden, tóch mogelijk moet worden. Maar tot het zover is, moet ook het parket zich aan de regels houden.