Meh

Na een aantal weken in Amerika wil ik graag thuiskomen met een taalvoorspelling. Een woord dat we nu nog niet gebruiken, maar binnenkort wel.

Dat is een moeilijke opgave. Ik heb een tijdje ingezet op ‘OMG’. Dat is de afkorting voor Oh my God. Maar nee, ik denk dat het toch te puberaal is – ik las op een wiskundeschrift van een puber: ‘math OMG’.

Ik zag ook nog wel iets in het gebruik van het woord ‘heart’ als werkwoord.

„I heart San Francisco!” kun je hier uitroepen. Dat kunnen wij ook gaan doen, met het woord ‘hart’; maar ik word er niet warm van.

Ik weet het dus niet. Wat ik wel weet is welk woord ik graag zou wíllen importeren. Dat woord is ‘meh’. Je spreekt het uit als ‘mè’, met een beetje een hoog stemmetje. ‘Meh’ gebruik je als iets je helemaal niet kan schelen.

„Wil je anders vanavond lekker bij de Thai eten?”

„Meh.”

‘Meh’ lijkt op ons ‘mwa’ (of hoe schrijf je dat eigenlijk), maar in ‘mwa’ zit nog een soort waardeoordeel.

„Hoe vond je de film?”

„Mwa.”

Dan vind je de film niet zo goed; met andere woorden: je vindt iets. Bij ‘meh’ vind je helemaal niets. ‘Meh’ is het verbale equivalent van je schouders ophalen, een lege blik in de ogen.

„Vind je de politieke situatie in Nederland ook zo fascinerend?”

„Meh.”

Waar ‘meh’ vandaan komt is niet helemaal duidelijk. Sommigen vermoeden een Jiddische oorsprong, anderen zien het helemaal als een product van The Simpsons, die ‘meh’ nogal vaak gebruikten.

Hoe het ook zij, ik denk niet dat we in het Nederlands een woord hebben dat ‘meh’ kan uitdrukken. Terwijl er genoeg is dat ‘meh’ voelt. Ergo: we zitten met een gat in de taalmarkt. En dat gat gaat ‘meh’ wat mij betreft, onvertaald, opvullen.

Ik hart meh.

paulien cornelisse