'Kunstkamers' 17de eeuw tonen kunst in miniatuur

Beeldende kunst Kamers vol kunst. T/m 27/6 Mauritshuis, Den Haag. Inl.: 070-3023456, of www.mauritshuis.nl. ****

Honderden kunstwerken van tientallen 17de-eeuwse Vlaamse schilders zijn te zien in het Mauritshuis, op een piepkleine expositie die slechts drie zaaltjes beslaat. Hutjemutje hangen, liggen en staan de werken in een stuk of tien voorstellingen van zogenoemde kunstkamers: geschilderde interieurs met werkelijk bestaande of fictieve kunstverzamelingen.

Een andere tegenstelling die dit genre zo aantrekkelijk maakt is dat de makers weliswaar forse formaten kozen, maar in hun stijl het grote gebaar juist schuwden. Alle kunstwerkjes-in-het-kunstwerk zijn uiterst gedetailleerd en daardoor goed herkenbaar weergegeven.

Het genre van de kunstkamer ontstond begin zeventiende eeuw in Antwerpen en is altijd een Zuid-Nederlands specialisme gebleven. Een der grondleggers, Willem van Haecht (1593-1637), schilderde veelal collecties die gebaseerd waren op die van zijn broodheer, de koopman Cornelis van der Geest. Van de vier kunstkamers van Van Haecht die nu nog bekend zijn, zijn er drie te zien in de expositie, inclusief een zelden getoond werk uit een Schotse privécollectie.

Een ervan, uit 1628, heeft als onderwerp het bezoek dat de kunstminnende aartshertogen Albrecht en Isabella dertien jaar eerder hadden gebracht aan de collectie van Van der Geest. In een hoge, kijkdoosachtige ruimte heeft Van Haecht de schilderijen waarmee de wanden van onder tot boven volhangen, nauwkeurig nageschilderd. Het zijn grotendeels werken van Vlaamse schilders als Jan van Eyck, Rubens en Frans Snyders die Van der Geest daadwerkelijk bezat. Op de voorgrond laat de verzamelaar zijn hoge gasten trots een Madonna met kind van Quinten Massys zien. Het origineel van dat werk hangt ernaast.

Een meer internationaal gerichte collectie in het zeventiende-eeuwse Vlaanderen was die van de Oostenrijkse hertog Leopold Wilhelm. Hij was een latere opvolger van Isabella als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, en bezat een exquise verzameling waarin vooral de Italiaanse Renaissance goed vertegenwoordigd was.

David Teniers de jonge (1610/1690) documenteerde deze schilderijengalerij in Brussel. Daaruit blijkt dat daar omstreeks 1650 beroemde werken van Titiaan, Giorgione en Rafaël te zien waren (zij het alleen voor de happy few), die nu in het Kunsthistorisches Museum in Wenen worden bewaard.

De losse schilderijen, en soms ook tekeningen, prenten, boeken, sculpturen in de geschilderde kunstkamers zijn in de meeste gevallen wel thuis te brengen, maar de verzamelingen hebben lang niet altijd werkelijk bestaan. De paleisachtige zalen die soms de achtergrond vormen voor allegorieën van de schilderkunst zijn meestal aan de fantasie ontsproten. En in de loop van de zeventiende eeuw ontwikkelden geschilderde kunstkamers zich tot denkbeeldige verzamelingen, waaraan verschillende kunstenaars samenwerkten.

Met een tiental Vlaamse kunstkamers is de expositie nauwelijks representatief te noemen voor de totale productie van dergelijke schilderijen, waarvan er tegenwoordig nog ongeveer honderd bestaan. Maar het visuele bombardement dat zulke schilderijen over de kijker uitstorten, rechtvaardigt de kleine keuze. Nu zie je door de honderden bomen van geschilderde schilderijtjes nog net het bos van een bijzonder zeventiende-eeuws genre.