Jezus, een moslim, handelt in illegale diamanten

Het slaperig grensstadje Vila de Manica in Mozambique bloeit opeens door de handel in ‘bloeddiamanten’. „Heeft u voor ons iets meegebracht?”

De taxi’s die net na de drukke grensovergang tussen Zimbabwe en Mozambique op klandizie wachten, zijn niet bedoeld voor gewone passagiers. De chauffeurs lijken meer op proppers voor een discotheek: wie een paar stappen op Mozambikaans grondgebied gezet heeft, wordt door de potige mannen verleid om mee te rijden naar het stadje Vila de Manica, zo’n 20 kilometer verderop. „Gratis natuurlijk”, zegt een van de chauffeurs. Hij hangt schuin over de motorkap van een met plakbandjes bijeengehouden Toyota Corolla. „Dat wil zeggen: als u iets voor ons hebt meegebracht.”

Dat ‘iets’ zijn ruwe diamanten. Wie die uit Zimbabwe door de bergen of gewoon langs opzij kijkende grensbewakers heeft mee gesmokkeld, kan voor niets de taxi naar de kopers in Manica nemen. De Indiërs, West-Afrikanen en vooral Libanezen die daar zijn neergestreken betalen de rekening. Zeven dagen per week, vooral in de ochtenduren, zitten ze voor hun villa’s te wachten op handel, zegt de chauffeur, die inmiddels achter het stuur heeft plaatsgenomen. Met een brul start de motor. „Kunnen we gaan?”, roept hij boven de herrie uit. „Ik breng je naar Jezus.”

Met hoge snelheid suist de wagen over de snelweg die uiteindelijk tot havenstad Beira leidt. Net voor Manica verschijnen in het groene landschap de eerste borden waarop kopers van „edelstenen” zich aanbieden. Vlak voor Motel Manica – niet meer in gebruik voor toeristen, maar geheel bewoond door een familie van diamantairs – draait de chauffeur rechtsaf een hobbelig paadje op. Rondom een gigantisch zwembad zonder water staan de huizen van de handelaren. Glimmende terreinauto’s rijden af en aan.

„Jezus? Dat ben ik”, glimlacht een wat oudere man met vervaarlijke lidtekens op zijn voorhoofd. „Die bijnaam heb ik gekregen omdat ik zo goed betaal”, zegt hij. Jezus is moslim. En hij komt uit Libanon. Zijn echte naam wil hij niet zeggen. „Waarom zou je over diamanten schrijven?” foetert hij onder het garagedakje achter een zachtgele bungalow. „Geen groter leugen dan die van de diamanten. Zonder olie of water kunnen we niet leven, maar diamanten zijn nergens goed voor. Dus waar hébben we het over?”

Waar we het over hebben is de transformatie van een slaperig Mozambikaans stadje dat dankzij de handel in illegale diamanten uit belendend Zimbabwe tot bloei is gekomen. De stenen komen uit de omgeving van Chiadzwa, van de Marange-mijnen in het oosten van Zimbabwe. Nadat de overheid de rechtmatige exploitant van dat 26 vierkante kilometer grote diamantveld, het Brits-Zimbabweaanse African Consolidated Resources, de toegang tot het gebied in 2006 ontzegd had, trokken duizenden Zimbabweanen oostwaarts om hun geluk te beproeven.

Maar in oktober 2008, net nadat president Robert Mugabe en oppositieleider Morgan Tsvangirai in hoofdstad Harare een politiek akkoord sloten, namen leger en politie de controle in Marange over. Soldaten en agenten schoten lukraak op de illegale diamantzoekers. ‘Herstel de orde’ noemden de militairen hun operatie. Zeker driehonderd van hen zouden gedood zijn. De mortuaria in de 100 kilometer verderop gelegen stad Mutare lagen overvol, getuigden artsen tegenover Human Rights Watch. Sindsdien zit het gebied potdicht. Wie met de auto van Mutare naar Marange wil, stuit op roadblocks van leger en politie. Zij hebben samen met hoge politici de controle over de diamanthandel overgenomen „en zo de illegale handel geïnstitutionaliseerd”, zegt mensenrechtactivist Farai Maguwu.

Vervolg Diamanten: pagina 14

Mugabe heeft lak aan afspraken ‘bloeddiamanten’

Twee Zuid-Afrikaanse ondernemingen zijn door de Zimbabweaanse overheid aangewezen om samen met het staatsbedrijf Zimbabwe Mining Development Corporation het diamantveld te ontginnen. Ervaring met mijnbouw hebben de Zuid-Afrikanen nauwelijks. Een van de twee is groot geworden met de handel in oud ijzer. De Reclamation Group uit Johannesburg (‘Pioneering the way to a total recycling and waste management service’ is het bedrijfsmotto op de website) zit nu via een offshore constructie in Mauritius in de Zimbabweaanse diamanthandel.

Farai Maguwu was onderwijzer. Sinds twee jaar doet hij vanuit een sober ingericht kantoortje in Mutare onderzoek naar de diamanthandel op de grens van Zimbabwe en Mozambique. „Zowat iedere soldaat die nu in de omgeving van Chiadzwa is, is op een of andere manier betrokken bij de diamanthandel”, zegt hij. „En dat gaat nog steeds gepaard met enorme mensenrechtenschendingen.” De partners van de schroothandel zijn volgens hem „oude bekenden” van Mugabes partij ZANU-PF. „Er zijn syndicaten actief, zegt hij, waar alle autoriteiten, zowel aan Zimbabweaanse als aan Mozambikaanse kant, bij betrokken zijn. De politie, de grenswachters, de mannen van de belastingdienst: allemaal krijgen ze honderd dollar en iedereen is tevreden.”

De diamanten uit Marange zijn volgens Maguwu ‘bloeddiamanten’. De lokale bevolking wordt volgens hem door de autoriteiten te werk gesteld om de stenen boven te halen. „Dwangarbeid dus”, zegt hij. Via de bergen of gewoon via de reguliere grensovergang belanden de stenen vervolgens bij kopers als Jezus, de Libanees met de zachtgele bungalow.

De restaurants en bars in het bloeiende Vila de Manica doen goede zaken, en op de markt is praktisch alles te koop en het aantal inwoners is minstens verdrievoudigd: in het bijzonder voor huishoudsters, prostituees en bewakers die Engels spreken is ruim emplooi. Mozambikanen zelf spreken vooral Portugees. Net als de diamanten komt het ondersteunend personeel meestal uit Zimbabwe. Wachtend in de tuin van een van de pastelkleurige villa’s rondom het Piscina Olimpica de Manica vangen zij hun smokkelende landgenoten op. Is de handel serieus, dan roepen ze de baas.

Als Jezus is uitgeraasd over de „leugen van de diamant”, volgt toch iets van trots. Hij komt uit Sierra Leone, vertelt hij. Geboren en getogen, zoals wel meer handelaren hier. Jarenlang was het daar in West-Afrika prima toeven totdat journalisten en hulporganisaties de stenen ‘bloeddiamanten’ gingen noemen. De verkoop van diamanten zou gebruikt worden om rebellenbewegingen te financieren. Dat heeft Jezus diep geraakt. „Ik probeer samen met die arme Afrikanen een inkomen te verdienen”, zegt hij op gedempte toon. „En van diamanten heb ik nu eenmaal verstand.”

Na Sierra Leone verkaste hij naar de Congolese hoofdstad Kinshasa en nu woont hij sinds 2008 hier in Mozambique, net over de grens met Zimbabwe. „Heerlijk wonen”, zegt hij. Maar of hij nog veel langer blijft, weet hij niet. „De internationale media en zogenaamde mensenrechtenactivisten hebben het opnieuw verpest”, gromt Jezus. „Nu president Mugabe weet dat wij zijn diamanten naar de wereldmarkten brengen, heeft hij de touwtjes aangetrokken en blijft er voor ons minder over.” De mooiste stenen gaan volgens hem zonder tussenhandel direct naar Zuid-Afrika. De Zuid-Afrikaanse autoriteiten ontkennen dit.

De handel wordt minder lucratief, beaamt een puistige buurman van vijf huizen verderop. De 22-jarige jongen, ook uit Libanon, hangt in een donkere woonkamer bezweet aan een fitnessmachine. „In het begin kregen we van die jongens uit Zimbabwe een koffiebeker vol steentjes aangeboden,” zegt hij, „en in ruil daarvoor waren ze tevreden met een maaltijd, een spijkerbroek of een zak meel. Nu weten ze hoeveel de handel waard is en nemen ze alleen nog genoegen met een stapel dollarbiljetten. Dat maakt het minder leuk, moet ik zeggen.” Hoeveel hij precies betaalt, wil hij aan de buitenlandswe journalist niet zeggen. Het gesprek is abrupt voorbij als twee breedgeschouderde vrienden van hem zwijgend aan een pooltafel op de veranda gaan zitten. Zijn Zimbabweaanse bewaker maakt duidelijk dat pottenkijkers niet langer gewenst zijn. Hij dreigt de plaatselijke politie erbij te halen.

De lokale autoriteiten zijn onze beste vrienden, had Jezus al gezegd. „Die weten wat we allemaal hebben gedaan om het dorp hier te ontwikkelen. Toen de markt was afgebrand hebben we de burgemeester met zijn allen 50.000 dollar gegeven om de boel weer op te bouwen.” Niemand buiten de Libanese gemeenschap in Vila de Manica kan dat bevestigen, maar een woordvoerder van de politie in provinciehoofdstad Chimoio, ongeveer een uur rijden verderop, beaamt dat met een stapeltje groengekleurde bankbiljetten in dit deel van de wereld alles te koop is – zelfs een ongestoord leven als koper van illegale diamanten. Het is volgens hem moeilijk optreden tegen de handelaren „omdat ze de juiste papieren hebben”. Hoe ze aan die papieren gekomen zijn, zou hij niet weten.

Jezus: „Ook politieagenten in dit land zijn straatarm. Die wil je toch alleen maar helpen?”

Vanuit Vila de Manica gaan de ruwe diamanten via de airstrip in Chimoio of vanuit havenstad Beira het land uit, zeggen handelaren in het stadje. Vandaar gaan ze volgens Human Rights Watch naar Dubai, India en Libanon, maar de Libanezen pochen dat ze de stenen rechtstreeks bij de diamantslijpers in Antwerpen afleveren. „Vergeet Libanon”, zegt Jezus, „diamanten verkoop je in Antwerpen, nergens anders.”

„En als diamanten eenmaal geslepen zijn, kan niemand meer zien waar ze vandaan komen”, zucht topman Andrew Cranswick van het Brits-Zimbabweaanse African Consolidated Resources, die in Zimbabwe met weinig succes de ene na de andere juridische procedure voert om het recht op ontginning van zijn diamantveld terug te krijgen. Zimbabwe, zegt Cranswick, zou bij een nette, gereguleerde mijnindustrie de tweede of derde diamantproducent in de wereld kunnen zijn, met op termijn vele miljarden dollars voor de nu bijna lege schatkist van het land in crisis. Maar alleen enkelingen profiteren van de handel.

Het zogeheten Kimberley Proces, dat in 2003 werd opgezet om de herkomst van ruwe diamanten vast te stellen en zo de diamanthandel te reguleren, heeft rondom Zimbabwe „ongelooflijk gefaald”, zegt de Canadees Ian Smillie door de telefoon. Smillie was een van de initiatiefnemers van ‘Kimberley’, een reeks internationale afspraken die overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties maakten om handel in conflictdiamanten of bloeddiamanten te voorkomen. Gedesillusioneerd liet Smillie vorig jaar weten niet langer in de zachte spelregels van ‘Kimberley’ te geloven. De onmacht om iets aan de Zimbabweaanse excessen te doen was voor hem doorslaggevend.

Een onderzoeksteam van het Kimberley Proces oordeelde vorig jaar dat het lidmaatschap van Zimbabwe opgeschort moest worden zolang de diamantenwinning met mensenrechtenschendingen gepaard zou gaan, maar tijdens de jaarvergadering in november in Namibië, slaagde Zimbabwe erin de andere ‘Kimberley’-leden ervan te overtuigen dat het alle regels naleeft. Afgesproken werd om een speciale waarnemer aan te stellen die moet kijken of dat inderdaad zo is. De Zuid-Afrikaan Abbey Chikane bracht hierop afgelopen maand een eerste bezoek aan het oosten van Zimbabwe, maar moet zijn bevindingen nog openbaar maken.

Zimbabwe heeft „de zwakke kanten van Kimberley blootgelegd”, schrijft Avi Krawitz van Rapaport, een van de grootste spelers in de diamantindustrie in een vorige week gepubliceerde brief aan Chikane. „Terwijl het Kimberley Proces is opgezet om te voorkomen dat rebellenbewegingen de handel zouden gebruiken om een burgeroorlog te financieren, is het [KP] er niet in geslaagd te voorkomen dat schurkenstaten het proces manipuleren voor hun eigen gewin. Niemand kan garanderen dat de bloeddiamanten uit Marange niet op de markt zijn gekomen.”

„In theorie”, zegt Smillie, „hebben we heel krachtige afspraken: tachtig landen hebben de Kimberleyregels in hun wetgeving opgenomen. Het zijn nationale wetten, niet een vaag internationaal verdrag. Maar de afspraken zijn niet afdwingbaar en er moet altijd consensus zijn. Zuid-Afrika en Namibië hebben Zimbabwe de hand boven het hoofd gehouden.” En wat het advies van Chikane ook zal zijn: de Zimbabweaanse regering heeft alvast aangegeven zich er niets van aan te trekken. „Als het Kimberley Proces niet tevreden is met onze inspanningen en moeilijk wil doen”, zei minister van Mijnen Obert Mpofu, een partijgenoot van Mugabe, „dan slapen we daar niet minder om. Zimbabwe zal zich terugtrekken uit het KP en nog steeds diamanten verkopen.”

Op het terras van Bar Restaurante Flamingo, een etablissement in Vila de Manica aan de drukke hoofdweg naar Beira, neemt een groepje luidruchtige blanke mannen plaats voor de lunch. Rondom het terras smeken tientallen zwarte jongens om aandacht. De mannen negeren hun gedrentel en kluiven onverstoorbaar aan hun kip peri-peri.

De jongens komen uit Zimbabwe. Eens in de zoveel tijd gaan ze terug om voor de mannen op het terras stenen te halen, zegt Amon, een van de jongens. Hij is negentien jaar oud. Met de diamantsmokkel onderhoudt hij zijn zus die in Harare op school zit. „Ik wil weer weg”, zegt Amon, „maar dan moet ik eerst zeker weten dat de mannen willen kopen.” De aanscherping aan Zimbabweaanse kant heeft het voor hem moeilijker gemaakt om genoeg te verdienen. „De echt grote partijen gaan tegenwoordig gewoon in kisten met donkere Landcruisers de grens over”, zegt Amon. Wie daarvan rijk wordt, weet hij niet. „Het zullen wel niet de arme Zimbabweanen zijn.”