Ja, na al die hulp zijn landen nu verslaafd

Clubs als Cordaid en Novib draaien grotendeels op subsidie van de overheid.

Daar moeten we vanaf. De ngo’s kunnen projecten in arme landen best beperken.

Het is misschien nog niet iedereen opgevallen, maar de directeuren van de ngo’s in ons land zijn dag en nacht in touw. Op 1 april sluit namelijk de eerste ronde voor een megasubsidieregeling onder de naam medefinancieringsstelsel II (MFS II), waarmee de overheid ontwikkelingshulporganisaties financiert.

De terminologie is slaapverwekkend, maar niet voor de directeuren. Zo vrezen zij dat er weer aandacht komt voor de gebrekkige uitvoering van de afspraak om ten minste 15 procent van hun subsidie per jaar te evalueren in de periode 2005-2008. Zoiets helpt niet als je weer in aanmerking wilt komen voor subsidie.

Duidelijk is bovendien dat grote bezuinigingen plaats moeten vinden en dat geen sector gespaard zal blijven. En dat geldt dus ook voor de wereld van de ontwikkelingshulp die al enige tijd in een identiteitscrisis verkeert. Vorig jaar nam nota bene de toenmalig minister voor Ontwikkelingssamenwerking Koenders (PvdA) zelf het woord ‘ontwikkelingsindustrie’ in de mond. Dat is een linke strategie. Onze kerken liepen immers pas echt leeg toen de twijfel ook vanaf de kansel te horen was.

Nederland is al decennia het braafste jongetje van de klas als het om ontwikkelingshulp gaat. We zijn een van de weinige landen die het internationale doel van 0,7 procent van het bnp aan ontwikkelingshulp halen en zelfs beduidend meer uitgeven dan dat. Een kleine 5 miljard per jaar.

Een van de grootste programma’s binnen dit budget is het medefinancieringsstelsel (MFS) voor het onafhankelijke maatschappelijk middenveld of ‘non-gouvernementele organisaties ’ (ngo’s). De grootste organisaties, bijvoorbeeld Cordaid of Oxfam/Novib, die in 2008 meer dan 100 miljoen hebben ontvangen, zijn onderdeel van gelijkgezinde internationale netwerkorganisaties.

Momenteel wordt het MFS-programma dus verlengd als MFSII (2011-15). Het gaat over een bedrag van 2,125 miljard voor vijf jaar dat in principe besteed zal worden voordat het nieuwe kabinet hervormingsplannen voor de hulp kan opstellen.

De omvang van de financieringsstromen is dusdanig hoog, dat het moeilijk is om nog te spreken van ‘onafhankelijke’ ngo’s. Ontwikkelingsorganisaties mogen voor niet meer dan 75 procent van hun begroting afhankelijk zijn van steun. Dit om te voorkomen dat de ngo’s te veel afhankelijk zouden worden van de regering, met andere woorden om hun ‘onafhankelijkheid’ te garanderen.

Wij vrezen dat deze definitie van onafhankelijkheid op 9 juni niet door iedereen wordt gedeeld. De grote financiële afhankelijkheid van onze ngo’s van de staat valt niet goed uit te leggen. Nederland is voor velen een symbool van een open en transparante liberale democratie. In Nederland zelf worden juridisch en financieel onafhankelijke organisaties in het maatschappelijk middenveld gekoesterd, als fundamentele pilaren van de waarden die we graag uit willen dragen. Deze organisaties zijn dus, net als de vrije pers, eenvoudigweg te belangrijk om te subsidiëren. De premier trok een vergelijkbare conclusie in zijn recente Hofstadlezing.

Het zou aanbeveling verdienen als de ngo’s de huidige crisis aangrijpen om de verwevenheid met de staat te verminderen. Er dient zich een belangrijke keuze aan: hopen dat de problemen van BV Nederland hen niet gaan treffen; MFS II gebruiken om voorstellen in te dienen waarbij ze in twee tot vier jaar hun subsidie afbouwen naar 25 procent.

Daarmee zijn we er nog niet. Het zou mooi zijn als ngo’s nu eindelijk eens werk zouden maken van duurzaamheid. Elke activiteit die men in een ontwikkelingsland onderneemt, zou binnen vijf jaar zelfstandig door de lokale bevolking voortgezet moeten kunnen worden. Dat wordt overigens nog een hele toer. De hulpverslaving heeft in veel landen het sociale weefsel aangetast waardoor eigen verantwoordelijkheid niet altijd gedragen kan worden.

De politiek kan ook iets doen. Politici kunnen zich verdiepen in het WRR-voorstel voor een aparte financieringsorganisatie, los van de ambassades en ngo’s. Deze organisatie zou de naam NLAid kunnen krijgen. De effectiviteit van hulp zou dan getoetst kunnen worden door een onafhankelijke organisatie waarvan de leden niet voor hun carrière afhankelijk zijn van het ministerie.

NLAid zou zich moeten richten op ontwikkelingsprojecten die een evenwichtige weerspiegeling vormen van de uitdagingen en werkelijkheden van de 21ste eeuw. Dat betekent in gewoon Nederlands: niet alleen minder projecten in de ‘sociale’ sectoren en meer in de ‘economische’ sectoren maar ook het afschaffen van het idee dat het ene exclusief in de ‘publieke sfeer’ is, en het andere exclusief in de ‘private sfeer’. En het zou zich vooral kunnen richten op regionale integratie – bijvoorbeeld op samenwerking door de East African Community – want daar valt een wereld te winnen.

Het zal duidelijk zijn dat dit een meer bedrijfsmatige benadering vereist. Ontwikkeling wordt niet altijd gestimuleerd door schenkingen aan de bestaande elite in de vorm van begrotingssteun. Er zijn maar weinig landen waar dat verantwoord kan. Ontwikkeling wordt wel gestimuleerd als creatieve mensen in ontwikkelingslanden die zélf kansen ruiken, ondersteund worden met kennis en leningen om naar duurzame oplossingen te zoeken.

Arend Jan Boekestijn is historicus en auteur van De prijs van een slecht geweten. Grant Rhodes is freelance consultant en voormalig senior economist van de Wereldbank.