Frizzle, sizzle

Als kind wilde ik graag in het tuincentrum wonen. Het had iets te maken met de mossige geur, de enorme varens en de uitgebluste bejaarde papegaai helemaal achterin, wiens voorkomen deed vermoeden dat hij de inspiratie was geweest voor het lied ‘Papegaaitje leef je nog?’ Hoewel de papegaai er allang niet meer is (ouderdom of

Als kind wilde ik graag in het tuincentrum wonen. Het had iets te maken met de mossige geur, de enorme varens en de uitgebluste bejaarde papegaai helemaal achterin, wiens voorkomen deed vermoeden dat hij de inspiratie was geweest voor het lied ‘Papegaaitje leef je nog?’ Hoewel de papegaai er allang niet meer is (ouderdom of een welverdiende zelfmoord in een nepmarmeren sierfontein – wie zal het zeggen), grijp ik nog steeds elk tuincentrumbezoek met beide handen aan: ik duw mijn wagentje langs potjes met kruiden, bestudeer aandachtig de reusachtige plastic reigers alsof ik al jaren kamp met een hardnekkig plastic paddenprobleem en zoek naar de door Drs. P bezongen kabouter met het mandje op zijn rug.

Vorige week wilde ik wat viooltjes kopen. De zon scheen en de lucht tintelde, het was zo warm dat ik mijn jas over mijn arm had gehangen. Bij de afdeling die vol goede moed ‘decoratie’ was genoemd (geurkaarsen en zilveren boeddhahoofden) viel het me al op dat het druk was, drukker dan je zou verwachten op een doordeweekse ochtend. Maar het werd pas echt duidelijk toen ik bij de tuinplanten kwam. Beschenen door subtiel, door de kas gefilterd zonlicht betrad ik een slagveld. Op bijna lege tafels stond hier en daar nog een armetierig plantje met gekneusde blaadjes, omringd door wat klonten modder. Mensen liepen zenuwachtig langs de tafels en gristen de paar overgebleven plantjes naar zich toe. Er waren geen normale viooltjes meer, alleen een potje dat ‘Frizzle Sizzle’ heette, viooltjes die eruit zagen alsof ze met een verkreukelde zakdoek waren gekruist. Een vrouw liep voor me langs en wierp de Frizzle Sizzle in haar wagen. „We zijn te laat”, riep ze verwilderd naar haar man. „We zijn gewoon te laat!”

Na de besneeuwde Winter van de Valpartijen is de lente eindelijk begonnen. En blijkbaar heeft Nederland massaal besloten dat het pas écht lente is als je een achtertuin vol verkreukelde zakdoeken hebt. Ik begrijp dit volkomen en overwoog me op het wagentje van de vrouw te werpen, haar wat modder in de ogen te gooien en zo met de Frizzle Sizzle’s onder mijn arm het tuincentrum uit te rennen. In plaats daarvan trok ik me verslagen terug in de koopjeshoek, waar ik onder een restpartij gebloemde servetten een gebutst boeddhahoofd vond. Uit pure wanhoop kocht ik hem, om toch met íéts tuincentrumachtigs de lente te kunnen verwelkomen.

Ik ben bang dat ik de lentegoden hiermee ernstig heb geschoffeerd. Als ik nu naar buiten kijk lijkt het alweer herfst.