Eindelijk meer goede zwemmers

De Nederlandse zwemtop verbreedt zich. De volgende stap is aansluiting vinden met de wereldtop. „Nu moeten we gaan meedoen om de prijzen. Dat wordt de grote uitdaging.”

Liefst 21 zwemmers kon de technisch directeur van de zwembond, Jacco Verhaeren, zondagavond aanwijzen voor de EK langebaan in Boedapest, komende zomer. De spoeling is wel eens dunner geweest in de nationale zwemtop.

Vooral de wijze waarop de Nederlandse top zich verbreedt zal Verhaeren verheugen, al weet hij als geen ander dat er meer nodig is voor structurele aansluiting bij de toplanden als Australië of de Verenigde Staten. Maar waar zwembond KNZB in het verleden vooral profiteerde van de individuele klasse en de inventiviteit van talenten als Marcel Wouda, Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn, plukken Verhaeren en diens rechterhand Martin Truijens nu de eerste vruchten van de nationale zweminstituten die in 2006 in Amsterdam en Eindhoven werden opgezet in een nieuwe, professionele omgeving, met fulltime coaches. „We hebben nu de beschikking over voldoende badwater, ruimte voor krachttraining, medische en psychologische begeleiding”, zegt Truijens, hoofdcoach van het Nationaal Zweminstituut Amsterdam (NZA). „Het gemiddelde niveau ligt hoger dan toen we begonnen. Nu moeten we gaan meedoen om de prijzen. Dat wordt de grote uitdaging.”

Truijens zag afgelopen weekeinde tijdens de Swim Cup NZA-zwemmers als Sebastiaan Verschuren en Femke Heemskerk toptijden noteren op de 100 meter vrije slag. Internationaal was alleen de negentienjarige Ranomi Kromowidjojo van het Nationaal Zweminstituut Eindhoven (NZE) dit jaar sneller dan Heemskerk.

Maar langzaam treden de mannen uit de schaduw van hun vrouwelijke collega’s die de afgelopen jaren internationaal grote successen behaalden op de estafettes. Truijens: „Zij krijgen minder aandacht dan de vrouwen, maar dat is terecht. Dan moeten ze maar harder zwemmen. Maar we hebben nu een aantal mannen die het finaleniveau beginnen te krijgen voor een EK of zelfs een WK.”

In Boedapest zwemt een Amsterdams viertal de 4x200 vrij, terwijl zeven mannen zich plaatsten voor een individueel nummer: Robin van Aggele, de enige die buiten de nationale instituten zwemt, Job Kienhuis, Bastiaan Lijesen, Joeri Verlinden (allen NZE) en de NZA-zwemmers Verschuren, Lennart Stekelenburg en Nick Driebergen.

Met het oog op de Olympische Spelen van Londen (2012) is dat goed nieuws, vindt Truijens. „In het recente verleden had vooral Marleen Veldhuis het niveau om individueel het podium te halen. Het is goed om te zien dat zwemsters als Kromowidjojo en Heemskerk nu uitspreken dat zij op de individuele nummers medailles willen winnen.”

Maar Truijens en Verhaeren, blij met het „verse bloed” in de EK-ploeg, beschouwen het eerste succesje van het ingezette beleid vooral als een opsteker. Maar om te voorkomen dat de nationale zwemtop weer inzakt als de huidige generatie stopt werden vanaf 2008 in Drachten, Eindhoven, Amsterdam en Dordrecht vier regionale trainingscentra opgericht voor de topjeugd. Zij moeten de nationale instituten verzekeren van een constante aanvoer van nieuw talent, zoals Bastiaan Lijesen (inmiddels NZE) en Elise Bouwens (NZA). Beiden wisten zich te plaatsen voor ‘Boedapest’.

„De komende jaren moeten die regionale trainingscentra hun werk gaan doen”, zegt Truijens. „Nederland moet met veel meer mensen aanwezig zijn op de jeugd-EK’s. Op den duur moeten de talenten die van een regionaal trainingscentrum naar Eindhoven of Amsterdam gaan al van Europees niveau zijn. Dan kan het niet meer zo zijn dat je in een nationaal zweminstituut zit en de EK niet haalt.” Of, zoals Verhaeren het uitdrukt: „Een nationaal trainingscentrum is geen zwemclub.”

Onder in de keten vormen de zwemverenigingen nog een flessenhals, vindt Verhaeren, die twintig grote Nederlandse clubs wil professionaliseren. „Daar zijn we mee begonnen. Dat moet ook wel, als je wilt concurreren met landen als de Verenigde Staten, Australië, Frankrijk, Italië of Duitsland. Daar bestaan bijna geen vrijwillige trainers. Ik wil meer trainers die fulltime werken. We hebben in Nederland heel goede vrijwilligers als trainer, maar ze hebben één probleem: ze zijn niet fulltime beschikbaar. Dan ga je het uiteindelijk afleggen tegen sterke landen als Australië.”

Maar als het gaat om professionalisering valt er ook voor de ‘profzwemmers’ aan de top nog een hoop te winnen, weet Truijens. Bij NZA hebben Heemskerk, Verschuren en Driebergen een (bescheiden) inkomen van sportkoepel NOC*NSF, dankzij hun A-status als topsporter. Maar dat is het dan wel. Truijens: „In een land als Spanje is het heel normaal dat je van je club ook een vergoeding krijgt. Dat is hier niet aan de orde. Van de vier zwemmers die in Boedapest uitkomen op de 4x200 vrij heeft alleen Verschuren de A-status. De rest krijgt niks.”