Bewegingloos Amsterdam op belicht papier

Vrijdag gaat in het Amsterdamse Stadsarchief de expositie open van de eerste foto’s van Amsterdam vanaf 1845. In de binnenstad is een ‘buitententoonstelling’.

‘De Slaapster aan de Amstel’, zo heette Amsterdam in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het was een rommelige stad van vergane glorie. Mensen woonden dicht op elkaar. De wijk rond de Reguliersbreestraat heette toepasselijk de Duivelshoek. „Het was een netwerk van sloppen”, zegt Anneke van Veen, conservator fotografie van het Stadsarchief Amsterdam. „Reizigers zagen een stad met grillige bebouwing. Sommige panden stonden zo scheef dat het leek of ze aangeschoten waren en elkaar overeind moesten houden.”

In het Amsterdamse Stadsarchief zijn Views of Amsterdam van de Britse fotograaf Benjamin Brecknell Turner te bewonderen. Ze vormen het hart van de expositie De eerste foto’s van Amsterdam 1845-1875. Conservator Van Veen heeft de bijbehorende catalogus geschreven waarin zij een boeiend overzicht geeft van fotopioniers als Turner, Jacob Olie, Eduard Isaac Asser en Pieter Oosterhuis.

Het allereerste dat opvalt aan de stadsgezichten is de onwezenlijke rust ervan. Het water van de grachten is verstild en spiegelglad, spookachtig bijna. Ook de straatgezichten tonen niets van de bonte taferelen die de Amsterdamse binnenstad beheersten. De belichtingstijd van het gevoelige papier in de camera was zo lang dat beweging geleidelijk weer verdween. Of, zoals Van Veen zegt: „Natuurlijk liepen er mensen langs de camera, maar door die lange belichtingstijd wisten ze zichzelf weer uit. Soms is er niet meer dan een veeg over van menselijke beweging.”

Een van de wonderen van die tijd was het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein. De expositie toont zeldzame foto’s uit 1864 van het interieur, een schitterende creatie van staal en glas.

In 1991 bood veilinghuis Sotheby’s in Londen twee anonieme foto’s aan van dit oude Amsterdam. Van Veen vermoedde meteen dat het stadsgezichten betrof van Turner, die eind mei 1857 een bezoek aan de stad bracht voor een ‘photographic tour’. In twee weken tijd maakte hij zestien foto’s van plekken die binnen afzienbare tijd geheel zouden veranderen. Voor Van Veen begon een speurtocht: „Na deze vondst wist ik vijftien foto’s van de zestien te traceren, ook uit eigen bezit van het Stadsarchief. Voor het eerst zijn ze in hun eenheid te zien. Dat is uniek. Al tijdens zijn leven raakte zijn collectie verspreid. Zo verkocht hij foto's aan een Amsterdamse boekverkoper.”

In Turners tijd stond fotografie dichtbij teken- en schilderkunst. Deze allereerste negatieven uit de geschiedenis van de fotografie zijn van papier, zogenoemde ‘calotypiën’. Niet alleen Turner, ook de Amsterdammers Asser en Olie waren gefascineerd door de nieuwe kunst van het maken van afbeeldingen met behulp van licht. Turner gebruikte aquarelpapier dat hij met chemicaliën en zilver prepareerde. Vervolgens werden de negatieven met was bedekt en in een laatste fase met grafiet bijgewerkt om contrastwerking te vergroten. Het waren deze negatieven, en niet de afdrukken daarvan, die op belangrijke exposities waren te zien, zoals van de Photographic Society in Londen, waarvan Turner lid was.

Asser maakte in 1845 het oudste fotografische beeld van Amsterdam. Net als Turner en Jacob Olie was hij amateur en kenner van natuurkunde, destijds een voorwaarde voor fotografie. In 1839 kwamen opgewonden berichten uit Parijs. Dankzij de nieuwste vinding van L.J.M. Daguerre (de man van de daguerreotypie) konden platen met behulp van jodide en kwik zo bewerkt worden dat ze lichtbeelden vasthielden. Asser spoedde zich naar de apotheek en plaatste zijn camera met geprepareerd papier voor zijn raam, een gewoonte in die tijd. En daar, aan de Reguliersbreestraat, ontstond het vroegste Amsterdamse beeld van de Muntsluis, de huidige Munt. We zien een bruggetje, Hollandse gevels, daken en schoorstenen in een fraai spel tussen licht en schaduw. Asser maakte meerdere afbeeldingen op verschillende tijdstippen. Van Veen: „De eerste fotografen wilden het verstrijken van licht vastleggen. Ze werkten in series van ochtend naar avond.”

Kunstkenners van die tijd moesten niets hebben van de nieuwste trend. Deze ‘lichtteekeningen’ vielen in het niets vergeleken met de officiële schilder- en tekenkunst. Jacob Olie was, in tegenstelling tot Asser en Turner, onbemiddeld. Hij liet zijn camera niet uit Parijs komen maar bouwde er zelf een. Hij fotografeerde de wijk waar hij woonde, de Zandhoek. Dagelijkse taferelen, zoals een doorleefde straathoek met wat mensen en scheepswerven, inspireerden hem.

De tentoonstelling beperkt zich niet tot het Stadsarchief, ook buiten op vijftien billboards is Turners werk te zien. Ze staan op dezelfde plek als Turner destijds voor zijn Views of Amsterdam. Heden en verleden in een oogopslag. We kijken mee met de fotograaf naar de Westerkerk met de verdwenen Westerhal, naar de plaats van de doorbraak van de Raadhuisstraat en van de toenmalige Warmoesgracht bij de Herengracht. Over die voorbije wereld zegt Van Veen: „De stad als geestelijk en wereldlijk centrum is op deze lichtbeelden gematerialiseerd.”

‘De eerste foto's van Amsterdam 1845-1875’ t/m 27 juni in het Stadsarchief, Vijzelstraat 32, Amsterdam. Catalogus € 34,50 Inl.: stadsarchief.amsterdam.nl.