Van de paddock naar de kippenslachterij

Hugo van den Berg is gestopt met motorracen. „Ik had toch wel een paar telefoontjes verwacht van mensen die zouden zeggen: goh, wat jammer.”

Het filmpje op zijn mobiele telefoon toont een jongen in een witte jas met een kapje op zijn hoofd, die in een razend tempo dode kippen aan haken ophangt. Diezelfde jongen scheurde twee jaar geleden wereldwijd op een motor over racecircuits. Van de paddock naar de kippenslachterij, dat is het lot van Hugo van den Berg sinds hij besloot met racen te stoppen. „Dat je goed bent, telt tegenwoordig niet meer. Alleen als je geld meebrengt kun je rijden. Raceteams kijken vooral naar de poen.”

En daar zit het probleem bij de negentienjarige Van den Berg, een nuchtere student uit het Veluwse Hulshorst. Hij kan niet meer de tonnen ophoesten die gevraagd worden voor een plek in een raceteam. Nadat Van den Berg in 2008 werd afgedankt bij het enige Nederlandse raceteam van Arie Molenaar heeft hij het nog een jaartje geprobeerd in de IDM-klasse van het open Duitse kampioenschap. Maar toen de recessie hem ook daar parten ging spelen, nam hij het besluit te stoppen.

Op dat moment was die stap niet eens zo groot. Van den Berg speelde al enige tijd met de gedachte om te stoppen. „Omdat ik niet meer zo gemotiveerd was”, zegt hij. „Ik heb twee jaar grands prix in de 125cc-klasse gereden. Dat betekende alles voor me. Al mijn energie heb ik die jaren in de sport gestoken; ik trainde hard, ik ging nooit uit, rookte niet, dronk geen alcohol en ging altijd op tijd naar bed. Als je dan niet kunt doorgroeien naar een hogere klasse, terwijl je er wel alles voor hebt gedaan, dan breekt er iets.”

Voor een motorcoureur is twijfel doorgaans het begin van het einde. Dan ligt het gevaar van relativisme op de loer. Van den Berg ervoer het. „Ik begon na te denken over het gevaar, over de angsten van mijn moeder als ik racete en ik dacht steeds vaker aan mijn zus Maaike, die een dwarslaesie opliep bij een motorongeluk. Maar ook aan het gebrek aan geld en mijn toekomst. Leuk die sport, maar toen ik stopte met de grands prix stond ik met lege handen. Ik had geen opleiding, geen geld en geen uitzicht op een maatschappelijke carrière. Ik had drie keer niks.”

Zijn baantje bij de kippenslachterij in Nunspeet bracht Van den Berg al snel tot het inzicht dat hij na drie jaar weer een studie moest oppakken. Hij koos voor de mbo-opleiding weg- en waterbouw in Zwolle met de bedoeling uitvoerder of werkvoorbereider op een bouwplaats te worden. En hij is met zijn achtergrond zeer gemotiveerd. „Dat kippen ophangen zag ik me niet de rest van mijn leven doen. Ik wil een diploma hebben, want ik moet nog zeker een jaar of veertig, vijftig werken.” Dan lachend: „Nee, ik ben niet rijk geworden van racen. Als ik deze zomer met vakantie wil, moet ik mijn bijbaantje aanhouden.”

En dan te bedenken dat Van den Berg samen zijn leeftijdgenoot Joey Litjens werd gezien als de toekomst van het Nederlandse wegracen, dat na de hoogtijdagen van Jack Middelburg, Boet van Dulmen, Wil Hartog, Hans Spaan en Jurgen van den Goorbergh internationaal diep was weggezonken. Van den Berg leek een lichtpuntje, een jongen die zich via de minibikes, de Junior Cup en het Spaanse kampioenschap omhoog had gewerkt. Een jongen met een groot hart en gevoel voor de motor. Dat was Dorna, de Spaanse organisatoren van de grands prix, ook opgevallen, zodat hij in de beginjaren geregeld een wildcard kreeg voor Europese wedstrijden.

Van den Berg heeft echter één minpuntje: hij is aan de lange kant. Dat werd een probleem voor een carrière in de 125cc-klasse. Van den Berg bleek uiteindelijk met 1.86 meter te lang voor de speeltuin der lichtgewichten. „Als ik mijn hoofd tussen het ruitje van de kuip stak, zat ik klem. Ik paste gewoon niet meer op de motor.”

Dat was nog niet eens de grootste moeilijkheid. Van den Berg verloor door zijn gewicht snelheid ten opzichte van de lichtere concurrenten, vooral bij het accelereren. „Als ik van 100 kilometer per uur moest versnellen naar zo’n 200 kilometer per uur was ik zo’n vijf à zes kilometer per uur langzamer dan de rest. Daarom was ik bij voorbaat kansloos in landen als Maleisië en Japan, waar circuits met lange, rechte stukken liggen. Ik was op mijn best op de bochtige circuits, zoals in Assen, Mugello en Australië.”

Van den Bergs lengte was voor Molenaar de reden om hem na één jaar voor 2009 geen nieuw contract aan te bieden. De teameigenaar had alleen met Van den Berg willen doorgaan als hij een sponsor voor de 250cc had gevonden. Want in die klasse zou hij met zijn lengte beter tot zijn recht zijn gekomen.

„Maar dat zat er financieel niet in”, zegt Van den Berg. „Een 125cc-machine kost startklaar zo’n 130.000 euro, maar voor een beetje materiaal ben je in de 250cc minimaal het vijfvoudige kwijt. En zeker een miljoen als je praat over de kampioensmotor van de Italiaan Marco Simoncelli. Zo veel geld kon ik niet bij elkaar brengen.”

Van den Berg is de eerste rijder sinds Jurgen van den Goorbergh die bij een grand prix weer eens in de punten reed. Het was weliswaar één schamel punt, uit 2008 bij de TT Assen, maar toch, een punt. Van den Berg beschouwt die race nog altijd als zijn hoogtepunt. „Dat was mooi, heel mooi”, zegt hij geëmotioneerd. „Voor mij was dat alles, omdat ik er zo lang voor had gestreden. En dat gevoel toen ik in Assen over de streep kwam: magisch. Als ik eraan terugdenk, krijg ik nog kippenvel.” Een mooi moment in een mooi jaar bij het raceteam van Molenaar, vindt Van den Berg. „Molenaar mag vaak kritiek krijgen, ik kan alleen maar positief zijn. Ik heb er veel geleerd.”

Hoe anders was in het jaar ervoor, toen Van den Berg bij het Spaanse team Blusens Aprilia reed. Na driekwart van het seizoen stapte hij op. „Omdat het wederzijdse vertrouwen volledig was verdwenen. Er was altijd wat. Of ik was geblesseerd of er waren mechanische problemen. Op een goed moment lieten ze me gewoon links liggen. Tot ik tijdens een training op het circuit van Misano zonder remmen de baan werd opgestuurd en een vastloper kreeg. Toen was de maat vol. Nee, ik geloof niet dat het bewust was gedaan, maar het was wel onzorgvuldig. En tekenend voor de verhoudingen.”

Het is een oud verhaal in de motorsport: wie binnenkomt met veel geld – in het geval Van den Berg bij Blusens naar verluidt minimaal twee ton – wordt bij tegenvallende prestaties rücksichtslos terzijde geschoven. Het geld is binnen, maar naar de man die teleurstelt wordt niet meer omgekeken.

„Dat klopt”, erkent Van den Berg met enige schroom. „Achteraf had ik me harder moeten opstellen. Maar wat wil je? Ik was nog maar zestien jaar. Het jaar erop bij Molenaar stond ik wel mijn mannetje. Toen luisterden de monteurs wél als ik iets uitgevoerd wilde hebben. Het is een proces, dat moet je leren. Het ligt ook niet in mijn aard, want ik ben van nature een zachtaardige jongen.”

Bij het idee dat zijn carrière als wegracer voorbij is, moet Van den Berg verbitterd vaststellen dat er zonder grote geldbedragen geen toekomst in de motorsport mogelijk is. „En dat is verergerd door de financiële crisis. Het is een drama qua sponsoring. Ik ben een eind gekomen, maar heb het niet kunnen afmaken. Dat geeft me een onbevredigend gevoel. De reacties vallen me ook tegen, nadat ik via internet had gemeld dat ik ben gestopt. Ik had toch wel een paar telefoontjes verwacht van mensen die zouden zeggen: ‘Goh, jammer dat je niet meer rijdt.’ Ik heb tenslotte grands prix gereden. Maar blijkbaar was dat van weinig waarde.”

Voelt hij zich nu veroordeeld tot recreatief motorrijden? Verongelijkt: „Nee, natuurlijk niet. Dat is not done. Met 200 kilometer per uur over de snelweg rijden geeft me echt geen kick. Op een circuit reed ik met 200 kilometer per uur een bocht in, dat is heel wat anders. Aan toerrijden heb ik totaal geen behoefte.”