Niemand kijkt ze aan, ze zijn onzichtbaar

Eigenlijk reis ik altijd met de trein. Ik hou van weilanden kijken en heb gemerkt dat dit in de auto een stuk minder ontspannend is, te meer omdat ik tijdens het autorijden graag mijn blik maniakaal op de auto voor mij houd om zo de gewisse rampspoed die mij boven het hoofd hangt te bezweren

Eigenlijk reis ik altijd met de trein. Ik hou van weilanden kijken en heb gemerkt dat dit in de auto een stuk minder ontspannend is, te meer omdat ik tijdens het autorijden graag mijn blik maniakaal op de auto voor mij houd om zo de gewisse rampspoed die mij boven het hoofd hangt te bezweren (ik ben zo iemand die de auto uitstapt met stukjes stuur tussen haar tanden).

Dus toen de schoonmakers gingen staken merkte ik dat al snel. Plotseling zagen de stations eruit alsof ze gepartycrasht waren door vijfhonderd Spaanse krakers en Oscar het vuilnisbakkenmonster. Plastic bakjes, vuile servetjes en plassen milkshake besmeurden de perrons. Samen met heel Nederland besefte ik toen hoe schoon de stations normaal zijn, en hoe ondankbaar schoonmaken is: het valt pas op als het niet gebeurt.

Ik ga naar een vakbondsavond rond de schoonmakersstaking. Tot mijn teleurstelling zijn er geen stakende schoonmakers aanwezig, zij hebben een avond vrij. Wel is er Herrie, organizer van de FNV. Herrie lijkt met zijn bretels, platte pet en kistjes met rode veters op iemand waar ik ’s nachts in de 24-uurstent op Lowlands een biergooiwedstrijd mee zou doen.

„Goeie naam”, zeg ik. Hij kijkt bedenkelijk. „Het is een bijnaam van vroeger. In mijn studententijd vond ik het heel leuk, maar nu is het lastiger. Ik ben namelijk geen herrieschopper.” We praten over de staking, die nu hij langer duurt almaar grimmiger wordt. „Op dit punt worden de acties ook heftiger naar de stakingsbrekers en werkwilligen: mensen die wél gaan werken en zo eigenlijk de staking saboteren. De stakers lopen hen achterna en schreeuwen naar ze. Dat is pijnlijk. Jarenlange vriendschappen gaan eraan kapot. Ik was altijd fel over stakingsbrekers, maar begrijp nu ook dat je niet weet waarom iemand de keuze maakt om toch te gaan werken.”

Bij stakingen van nu denk ik vaak aan een plein gevuld met koffiedrinkende mannen en vrouwen in gekleurde hesjes, die een gezellige leus als ‘we willen die drie procent, anders staan we in ons hemd’ scanderen. Maar dit klinkt meer als een scene uit Billy Elliot, waar de mijnwerkers staken en de mannen die toch naar de mijnen gaan worden bespuugd en bekogeld door hun collega’s.

Herrie laat me een foto zien die een schoonmaker vandaag aan hem heeft gestuurd. Op een wc-bril staat een tekst geklad: ‘Kutschoonmakers doodschieten die troep’. „Natuurlijk is de loonsverhoging belangrijk”, zegt hij. „Maar het gaat vooral om respect. Schoonmakers staan aan de onderkant van de maatschappij. Ze moeten doorwerken als ze ziek zijn, worden geïntimideerd door hun opdrachtgevers en niemand op straat kijkt ze aan. Deze staking maakt ze weerbaar.” En daarvoor waad ik met liefde door een landschap van peuken.