Is de huisvrouw van nu de nieuwe uitvreter?

In 1964 noemde 98 procent van de Nederlandse vrouwen zich ‘huisvrouw’. Nu wordt ze weggehoond met een ‘deeltijdbaantje’. Conventies verander je niet zomaar, stelt Els Kloek.

In zijn artikel Nederlandse man draait op voor hoogopgeleide echtgenote met pretbaantje (Opinie & Debat, 27 maart) beschrijft H.M. van den Brink zijn ergernis over de riante positie die Nederlandse feministen voor zichzelf geschapen hebben. Terwijl het feminisme verworden zou zijn tot een rancuneleer, stelt de vrouw zich tevreden met een deeltijdbaantje.

Aanleiding voor zijn artikel was de beslissing van Wouter Bos om het Haagse Binnenhof te verlaten. Zijn besluit kwam onverwacht en bovendien wond hij er geen doekjes om: hij wilde zijn kinderen zien opgroeien. Feministen – Ciska Dresselhuys voorop, maar ook Stine Jensen en Heleen Mees – bekritiseerden het besluit: zij noemden dat onwaarachtig en niet overtuigend. Binnen de kortste keren zou hij wel weer ergens een mooie baan hebben. Bovendien, zo constateerden zij, kunnen mannen wel het argument van hun gezin inzetten, maar vrouwen niet: Agnes Kant zou zijn weggehoond.

Mijn inziens spelen hier verschillende kwesties door elkaar.

Ten eerste de kwestie van geloofwaardigheid. Natuurlijk kun je je altijd afvragen hoe eerlijk mensen zijn, maar ik vind het – met Van den Brink – nogal onfatsoenlijk om de uitgesproken motieven bij voorbaat in twijfel te trekken. Het tekent de hedendaagse omgangsvormen dat opiniemakers politici meteen publiekelijk voor bedriegers uitmaken.

Ten tweede de kwestie van seksisme. Ik waag te betwijfelen of Kant meer reputatieschade had opgelopen als ze haar gezin als argument had gebruikt. Nu wekte ze met haar plotselinge vertrek de indruk van een burn-out, en daarmee bevestigde ze het beeld van de vrouw die alles over heeft voor haar carrière maar toch vastloopt. Ook dat is rolbevestigend.

De derde kwestie is de politiek zelf. Het probleem dat politici nekt is natuurlijk niet hun gezinssituatie, maar het politieke bedrijf. Den Haag is tegenwoordig in de greep van media, spindoctors, populariteitsmetingen en algehele verhuftering.

Ten slotte is er de zorg voor het gezin. We doen tegenwoordig maar al te graag alsof huishoudelijk werk niet meer bestaat. Wie alleen maar ‘zorgt’ – een vreselijk woord! – is een loser. Betaald werk is het enige wat telt, het huishouden is bijzaak, een non-entiteit.

Dit brengt H.M. van den Brink ertoe feministen van een ‘rancuneleer’ te beschuldigen omdat zij hun deeltijdprivileges niet willen opgeven. Maar over welke feministen heeft hij het eigenlijk? Het zijn niet de feministen die voor deeltijd pleiten die ‘rancuneus’ zijn. Dat geldt veel meer voor de carrièrefeministen. Zij winden zich op over het Nederlandse ‘deeltijdfeminisme’ en vinden Nederland een soort ontwikkelingsland omdat veel vrouwen niet fulltime willen werken en voor hun gezin kiezen. Foei! Ook de overheid doet mee aan deze beeldvorming met initiatieven als de ‘taskforce deeltijd-plus’.

Wie zich ook maar enigszins heeft verdiept in de ontwikkelingsgang die de Nederlandse huishoudens in de loop der tijd hebben doorgemaakt, weet dat zich in korte tijd een waanzinnige revolutie heeft voltrokken. In 1964 noemde 98 procent van de Nederlandse vrouwen zich nog ‘huisvrouw’, nu worden vrouwen weggehoond als ze zich zo noemen. Tot in de jaren vijftig probeerde de overheid het betaalde werk van vrouwen zoveel mogelijk te beperken, nu lijken vrouwen welhaast de risee van de samenleving als ze kiezen voor een deeltijdbaan. Pas in 1990 (!) is het kostwinnerschapsbeginsel afgeschaft, nu worden vrouwen afgeschilderd als een soort uitvreters als ze zich door hun man via een ‘aanrechtsubsidie’ laten onderhouden. Van den Brink heeft het zelfs over het onrecht dat hardwerkende mannen wordt aangedaan.

Wat iedereen intussen vergeten lijkt te zijn, is dat de huisvrouw in de Nederlandse cultuur eeuwenlang op een voetstuk is geplaatst. Ze gold als een soort vrije onderneemster die verbazing opriep bij buitenlanders en respect bij Nederlanders. Binnenshuis was zij de baas en ook daarbuiten genoot zij veel autonomie, ondanks het feit dat de man ‘het hoofd der huishouding’ heette. De overheid verwacht nu dat vrouwen deze autonomie opgeven om hun vrijheid buitenshuis te gaan zoeken, in een betaalde baan. Maar het is niet alleen geld dat vrij maakt.

Mijn advies: geef mannen en vrouwen de tijd om een nieuw evenwicht te vinden in de verdeling tussen huishoudelijk en betaald werk. Conventies verander je niet zomaar.

En deeltijdwerk is een verworvenheid waar Nederland trots op mag zijn.

Els Kloek is historica. Auteur van Vrouw des huizes. Een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw (2009).

Het artikel van H.M. van den Brink is na te lezen op nrc.nl/opinieblog