'De verzorgingsstaat trekt dure nieuwkomers'

In Nederland doet men niet graag onderzoek naar de economische effecten van immigratie. De dissertatie van Jan van de Beek verbreekt de benauwde stilte.

Het is dé hete aardappel van de Nederlandse politiek. Wie erover begint, stuit op weerzin en argwaan. Toch durfde onderzoeker Jan van de Beek de kwestie aan te snijden in zijn dissertatie. Vandaag promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op twee onderzoeksvragen: wat waren de economische effecten van de migratie naar Nederland in de jaren 1960-2005, en waarom is het in immigratieland Nederland taboe om te rekenen aan de stroom nieuwkomers?

Van de Beeks antwoorden komen hard aan. Sinds de jaren zeventig is er in Nederland nauwelijks onderzoek gedaan naar de economische effecten van immigratie, uit angst de xenofobe rechterzijde in de kaart te spelen. Door die omissie zijn harde waarheden niet aan het licht gekomen, zegt Van de Beek. Zo heeft het beleid van de jaren zestig om arbeidskrachten te werven buiten Europa de modernisering van de Nederlandse industrie nodeloos vertraagd. De herstructurering van de jaren tachtig maakte van veel immigranten uitkeringstrekkers. En de Nederlandse verzorgingsstaat trekt nog steeds vooral nieuwkomers die de economie meer kosten dan zij eraan bijdragen.

Van de Beek is wiskundige en cultureel antropoloog. Hij stelt belang in maatschappelijke problemen en heeft een zwak voor cijfers. „In 1999”, vertelt hij, „schreef ik mijn afstudeerscriptie over het Nederlandse asielbeleid. Ik wilde een hoofdstuk wijden aan de economische kant van de zaak, want het asieldebat draait vooral om getallen. Tot mijn verrassing kon ik geen bronnen vinden. Die lacune werd het onderwerp van mijn promotieonderzoek.”

Van de Beek las alles wat er sinds 1960 is verschenen aan migratie-economisch onderzoek, in binnen- en buitenland. Hij interviewde onderzoekers over hun pogingen de economische gevolgen van immigratie te achterhalen en sprak met (oud-)politici over de overwegingen achter het gevoerde immigratiebeleid. Hij wilde ook weten waarom gezaghebbende instituten als de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Centraal Planbureau (CPB) zich over dit onderwerp zo lang op de vlakte hielden.

De titel van de dissertatie luidt: Kennis, Macht en Moraal. Van de Beek: „Moraal slaat op de Nederlandse politieke correctheid. Ik spreek van moral reading, het verschijnsel dat kennis niet wordt beoordeeld op waarheid of onwaarheid, maar op sociale, politieke en morele gevolgen. In de jaren tachtig en negentig was men in Nederland vooral bang voor de opkomst van extreem-rechts. In 1983 kreeg de Centrumpartij (CP) van Hans Janmaat bij de gemeenteraadsverkiezingen in Almere 9 procent van de stemmen. Dat ging als een schok door Nederland. De Tweede Wereldoorlog was nog steeds een moreel ijkpunt. Om de CP niet in de kaart spelen, mochten we niet weten wat de immigratie kostte. Zo ontstond een hiaat in de kennis.”

Van de Beek vulde het schaarse onderzoek dat is gedaan tussen 1960 en 2005 aan met interviews en maakte een balans op.

„De werving van gastarbeiders in de jaren zestig”, zegt Van de Beek, „was vanuit economisch oogpunt een fiasco. De bedoeling was de lonen laag te houden, maar we hadden ze beter kunnen laten stijgen. Omschakeling van de industrie naar kapitaalsintensieve productie was onvermijdelijk om internationaal bij te blijven. Die omslag hadden we veel beter kunnen maken in de jaren zestig, want toen beleefden we een hoogconjunctuur. Uiteindelijk zijn we toch gedwongen om te herstructureren en de nieuwkomers van de jaren zestig werden in de jaren zeventig en tachtig massaal ontslagen. Die moesten toen een beroep doen op de sociale zekerheid.”

„In Nederland legt de overheid fiscaal toe op laaggeschoolden. Die dragen gedurende hun leven gemiddeld minder bij aan belastingen en premies dan zij ontvangen aan gesubsidieerde gezondheidszorg, scholing, uitkeringen en AOW. Het heeft voor Nederland dus weinig zin om laaggeschoolde immigranten aan te trekken. ”

In 2001 kwam de WRR met het rapport Nederland als immigratiesamenleving. De raad wilde ook een hoofdstuk opnemen over het economische effect van immigratie en vroeg dat aan de econoom Harry van Dalen. Van de Beek: „Hij wilde daarin een fundamenteel probleem aansnijden, namelijk het spanningsveld tussen immigratie en verzorgingsstaat, maar dat stuitte op weerstand in de projectgroep. De andere leden vreesden dat migranten door een dergelijke analyse de schuld zouden krijgen van de hervormingen van de verzorgingsstaat.”

Van de Beek deelt de analyse van Van Dalen. „Een verzorgingsstaat kent een vlakke inkomensverdeling. Het is voor een IT-specialist uit India dus niet aantrekkelijk om naar Nederland te komen, want de beloning voor hoogopgeleiden is hier relatief laag. Hij gaat liever naar de Verenigde Staten. Nederland trekt laaggeschoolden. Canada en Australië trekken hooggeschoolden. Die landen werven veel actiever onder die groep dan wij en hebben een selectief toelatingsbeleid. Zij stellen het nationale belang voorop. Dat is in het belang van het gastland én van de immigranten, want die zijn welkom en doen het goed.”