Corruptie China blijft probleem

China heeft op hardhandige wijze een punt gemaakt in de strijd tegen de corruptie. Vier personeelsleden van Rio Tinto kregen celstraffen van zeven tot veertien jaar voor het aannemen van steekpenningen en het stelen van handelsgeheimen. De Brits-Australische mijnbouwer steunde het besluit van het gerechtshof in Shanghai en omschreef het gedrag van zijn werknemers als ‘deplorabel’. Dat is misschien het geval, maar het is moeilijk om niet het gevoel te krijgen dat China er ook baat bij zou kunnen hebben als het harder zou optreden tegen corruptie van eigen makelij.

Westerse bedrijven die zich niet aan de Chinese regels willen houden, zijn steevast de klos. Zoekmachinegigant Google sloot zijn Chinese site, om niet meer te hoeven voldoen aan de opgelegde zelfcensuur; Chinese politici beschuldigden het bedrijf vervolgens van „het breken van een geschreven belofte”. Dezelfde week riep het olieconcern Sinopec op tot „strenge straffen” voor bedrijven die smeergeld betaalden. Sinopec beweerde dat de Duitse autoproducent Daimler dat had gedaan.

Het politieke rumoer rondom Rio is begrijpelijk. Rechters worden openlijk aangemoedigd om het nationaal belang in het oog te houden als ze recht spreken. En Rio’s ijzererts is van cruciaal belang als China wil uitgroeien tot een rijk land. Bovendien is Rio als buitenlands bedrijf ‘vrij schieten’ voor de Chinese pers, terwijl binnenlandse staatsbedrijven buiten schot blijven.

Maar corruptie is in China een endemisch probleem, en niet louter aan buitenlanders voorbehouden. China is vorig jaar zeven plaatsen gestegen op de corruptieranglijst van Transparency International, een land als Colombia achter zich latend. Uit onderzoek van de Carnegie Endowment for International Peace blijkt dat wel eens 3 procent van het bruto binnenlands product op zou kunnen gaan aan steekpenningen.

Er zijn ook binnenlandse corruptiegevallen die veel aandacht kregen. Zo werd Huang Guangyu, president van witgoedfabrikant Gome, in 2008 van zijn functie ontheven omdat hij economische misdaden zou hebben begaan. Een onderzoek naar corruptie in de stad Chongqing leidde tot 782 vervolgingen, van wie onder meer ambtenaren, politiecommissarissen en industriële tycoons het slachtoffer werden. Toch blijft de vraag gewettigd wat er in grotere steden en bij grotere bedrijven zou kunnen omgaan.

Dit alles zou heel goed slechts een klein probleem kunnen blijken voor de westerse bedrijven die in China zakendoen. Als de tijden goed zijn en de rendementen hoog, zal de dreiging van witteboordencriminaliteit beleggings- en investeringsbeslissingen wellicht niet beïnvloeden. Maar beleggers moeten wel rekening houden met het risico om zelf slachtoffer – of zelfs vermeend dader – te worden als ze hun kapitaalkosten berekenen.

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen: www.breakingviews.com