Zie mij de planeet nu eens redden

Alle zwakheden van de mens balde Ian McEwan samen in een wetenschapper die het beste wil voor de aarde.

Mits hij er vooral zelf beter van wordt.

Al een tijdlang zoemde het rond: Ian McEwans nieuwe roman Solar gaat over de klimaatverandering. Na de mislukking van de klimaattop in Kopenhagen zou hij zijn boek zelfs hebben aangepast. In de roman, die nu dan verschenen is, krijgt de hoofdpersoon op de valreep een mailtje, waarin hij wordt uitgenodigd de verzamelde wereldleiders in Kopenhagen toe te spreken. Als dat de aanpassing is, dan is het een goeie. Want deze hoofdpersoon, de fysicus en voormalig Nobelprijswinnaar Michael Beard, blijkt zelf een nog veel grotere mislukking te zijn, al duurt het bijna de hele roman voordat dit ook tot hem zelf doordringt.

In hoeverre kun je Solar nu een roman over de klimaatverandering noemen? En in hoeverre een geëngageerde roman? Solar kan voor een geëngageerd boek doorgaan, wat niet wil zeggen dat de lezer moreel het mes op de keel krijgt gezet. De hele klimaatverandering is eerder een actueel gegeven, dat McEwan gebruikt om er een literair spel mee te spelen, maar wel een serieus spel.

Meer dan in zijn eerdere romans, heeft dat spel in Solar de trekken van een satire. De niet zelden hilarische situaties waarin Beard terechtkomt zijn nogal zwaar aangezet – en dat geldt, op een letterlijke manier, ook voor Beard zelf. Kalend en klein van stuk verwerft hij in de loop van het boek steeds meer overgewicht, ten prooi als hij is aan een onbedwingbare vraatzucht. Toch zijn er altijd weer mooie vrouwen die voor hem bezwijken, ook al gaat hij er prat op nog nooit tegen één van hen ‘ik houd van jou’ te hebben gezegd. Liefde interesseert hem niet, seks des te meer – dat is voor hem even onmisbaar als alcohol en eten, verschrikkelijk veel eten.

Dat die mooie vrouwen op zijn avances ingaan en soms zelfs met hem trouwen, blijft raadselachtig. Waarschijnlijk verklaart de Nobelprijs veel. En dom is Beard natuurlijk niet. Ooit was hij een ‘genie’, toen hij tijdens een ‘briljante zomer in zijn jeugd’ de ontdekking deed (een theorie over het samenspel van licht en materie, sindsdien de ‘Beard-Einstein Conflation’ geheten) waarvoor hij de prijs kreeg. Daarna heeft hij niets van belang meer gepresteerd.

In het eerste deel van de roman dat in 2000 speelt (de beide andere delen spelen in 2005 en 2009) staat hij aan het hoofd van een regeringscentrum voor onderzoek naar alternatieve energie, waarvoor iedereen zijn al dan niet geschifte plannen en voorstellen kan indienen. Het onderwerp interesseert Beard nauwelijks, maar veel hoeft hij er niet aan te doen, want anderen nemen het echte werk voor hun rekening. Michael Beard, kortom, is een man die zijn ene bijzondere prestatie royaal weet uit te buiten.

McEwan vergeet zelden zijn romans van een ingenieuze plot te voorzien, vaak met een naargeestig, luguber randje. Naargeestig of luguber wordt Solar geen moment, daarvoor zijn de satirische elementen te dominant. Maar de roman is wel min of meer als een thriller opgezet, (over gebrek aan spanning zal niemand zich hoeven te beklagen), en dus zou het flauw zijn te veel details te verklappen. Het komt erop neer dat Beard de lumineuze ideeën van een jongere, gestorven collega inpikt en als zijn eigen ideeën wereldkundig maakt. Deze ideeën hebben alles te maken met de zon, vandaar de titel van de roman. Beards collega heeft een methode gevonden om met behulp van de zonnestralen schone energie aan water te onttrekken. De fatale CO2-uitstoot zou er drastisch door verminderen. Hoewel hij nog net geen klimaatscepticus is, laat Beard zich overtuigen door de lucratieve vooruitzichten die zich langs deze weg aandienen. Hij vraagt de nodige patenten aan en neemt zich voor de planeet te ‘redden’.

Het lijkt even potsierlijk als doortrapt. Maar vlak vóór deze bekering maakt Beard kennis met een groep idealisten die last hebben van dezelfde ambitie, zij het met andere motieven. Om even te kunnen ontsnappen aan de huwelijkse frustraties, is hij ingegaan op de uitnodiging om een week door te brengen op een vastgevroren schip in het poolijs boven Spitsbergen. Het gezelschap waarin hij terechtkomt bestaat uit bevlogen kunstenaars, die in het ijs pinguïns boetseren of met zang en dans quasi-religieuze rituelen uitvoeren.

Tot zijn eigen verbazing verwerft Beard bij deze doorgewinterde idealisten iets van populariteit, omdat hij als natuurwetenschapper ‘echt’ iets aan de problemen zou doen. Het levert hem, zo schrijft McEwan ironisch, de ‘aangename illusie’ op dat hij ‘de mensen wel mocht’. Dezelfde illusie zal voor enig zelfbedrog hebben gezorgd bij zijn verder geheel door opportunisme ingegeven beslissing om zich als redder van de planeet op te werpen.

Het zal er allemaal niet van komen, ondanks het eigen bedrijf dat Beard heeft opgericht om de gestolen ideeën van zijn gestorven collega te exploiteren en ondanks de voorgenomen feestelijke demonstratie van de eerste praktische resultaten in de woestijn van New Mexico. Alles loopt op een onherstelbare manier uit de klauwen.

Betekent dit nu dat McEwan niets zou zien in alle pogingen om de dreigende opwarming van de aarde te keren? Dat is te snel geconcludeerd. Want de wetenschap zelf (‘van menselijke smetten vrij’) deelt niet in de onttakeling van de man die haar zo schaamteloos heeft misbruikt. Wat mensen met haar uitspoken is vaak kwaadaardig of kortzichtig, maar aan haar eventuele waarheid doet het niets af. In het tweede deel van de roman wordt de wetenschap niet toevallig in bescherming genomen tegen postmoderne onzin, volgens welke ook de natuurwetten zouden berusten op ‘sociale constructies’. Wanneer Beard het slachtoffer wordt van een postmoderne hysterica en de meedogenloze sensatiezucht van de media – opnieuw een zeer vermakelijke episode – is het onmiskenbaar dat de sympathie van de lezer ditmaal naar hém dient uit te gaan.

Meestal is dat niet zo. Het valt ook niet mee om sympathie op te brengen voor dit verwende, egoïstische, luie, achterbakse, onbetrouwbare, slordige wezen, dat voortdurend zijn muil volpropt en zijn pik achterna loopt – totdat je je realiseert dat McEwan in Michael Beard feitelijk alle menselijke zwakheden heeft verenigd. Vandaar dat dit personage, in weerwil van alle karikaturale trekken, toch steeds zo’n levendige indruk maakt. In hem kunnen we het weinig flatteuze zelfportret herkennen van de (westerse) mensheid.

Hoewel Solar maar één echte hoofdpersoon kent wordt de roman zo toch een heuse comédie humaine, die je als lezer onvermijdelijk met zeer gemengde gevoelens achterlaat – zij het niet ten aanzien van het literaire meesterschap van de auteur.

Ian McEwan: Solar. Jonathan Cape, 285 blz. € 23,-. De Nederlandse vertaling van Rien Verhoef verschijnt in september 2010 bij uitgeverij De Harmonie.