Scheffers schets van Cohen is inktzwart

Een tegenwicht tegen de journalistieke euforie over Cohen was nodig, stellen Anthonya Visser en Herman Philipse, maar Paul Scheffer ging te ver.

Personen in de politiek zijn tegenwoordig belangrijker dan partijprogramma’s. Zo is het althans voor veel kiezers. Daarom heeft Paul Scheffer gelijk als hij stelt dat Job Cohen, de kandidaat-lijsttrekker van de PvdA, een „kritische pers” verdient (Opinie & Debat, 21 maart). Van constructieve kritiek is bij hem echter nauwelijks sprake.

Scheffer beoogt tegenwicht te bieden aan de „euforie” over Cohens kandidatuur bij journalisten die „elke schijn van onpartijdigheid” lieten varen. Wat verschaft Scheffers artikel méér dan een even partijdige negatief gekleurde visie? Bar weinig, helaas.

Scheffer schetst met brede penseelstreken een „diepe crisis” waarin Nederland verzeild zou zijn geraakt. Bij alle bekende stations wordt haltgehouden: migratie, globalisering en het afkalven van de traditionele partijen. Natuurlijk kan men van geen politicus verwachten dat deze elk probleem van onze tijd zal oplossen. Wel mag men hopen dat een premier met gezag leiding geeft aan een kabinet van bekwame ministers, die de urgentste problemen voortvarend te lijf gaan. Er is geen reden te veronderstellen dat Cohen dit niet zou kunnen. Zo was hij als staatssecretaris van Justitie in het kabinet-Kok II verantwoordelijk voor de nieuwe Vreemdelingenwet. Als burgemeester van Amsterdam heeft hij veel ervaring met integratieperikelen opgedaan.

Hier zijn voorbeelden van de manier waarop Scheffer suggereert in plaats van argumenteert. Cohens onmogelijke taak zou blijken uit het feit dat „zelfs Obama” het moeilijk heeft, terwijl „die toch buitengewoon getalenteerd is”. Kennelijk is Cohen volgens Scheffer minder getalenteerd. Waar blijkt dat uit? Een zakelijke analyse van Cohens prestaties ontbreekt. Scheffer geeft wel enkele indicaties. Cohen is „een man die door het leven gaat als een theedrinker”. Voorts is het niet moeilijk „in de bedachtzame en rijzige Cohen een toekomstige premier te zien”, want „op elk podium of bordes slaat hij een goed figuur”. Is de suggestie dat Cohens gestalte imposanter is dan zijn capaciteiten?

Scheffer stelt verder dat Cohen „een zeker idee over Nederland” ontbeert. Ook is hij „als volksvertegenwoordiger een onbeschreven blad”. Het lidmaatschap van de Eerste Kamer (1995-1998) telt kennelijk niet.

Ook is Cohen „apolitiek” en „weinig uitgesproken”. Zijn luttele opvattingen zijn volgens Scheffer „niet vrij van tegenstrijdigheden”. Terwijl Cohen politici steunt zoals Marcouch die de verantwoordelijkheid van migranten benadrukken, zou hij die verantwoordelijkheid ontkennen in zijn Abel Herzberg-lezing. En terwijl Cohen terecht inzet op rechtshandhaving, legt hij aan nieuwe Nederlanders uit wat ‘gedogen’ betekent. „Anderen zouden in een lakse wetshandhaving juist geen traditie zien waar nieuwkomers trots op moeten worden gewezen”, luidt Scheffers commentaar. Dat hier sprake is van ‘trots’, is Scheffers interpretatie.

De negatieve visie op Cohen, die niet wordt geschraagd door een zakelijke analyse van diens grote merites, staat in de context van een doemscenario voor Nederland. Wat ons te wachten staat is niets minder dan een „‘ontploffing’ van het politieke bestel”. De oorzaak van deze voorspelde catastrofe is volgens Scheffer een wijdverbreid onbehagen onder de kiezers, dat voortkomt uit angst voor globalisering en immigratie. Die angst is waarschijnlijk reëel genoeg. Maar Scheffer beschrijft als kenmerk van de verwachte „implosie” slechts een herschikking van politieke partijen. Met zijn vrees daarvoor betoont hij zich evenzeer een representant van een voorbije tijd als Cohen dat in zijn ogen is.

Immers, men kan de toename van het aantal zwevende kiezers ook interpreteren als een symptoom van de vitaliteit van onze democratie. Burgers volgen niet meer blind de leiders van hun zuil. Als gevestigde partijen problemen verwaarlozen, ontstaan nieuwe groeperingen die daarop wijzen.

Fluctuaties in de steun voor politieke partijen, vaak samenhangend met de partijleiders, zijn er sinds de Tweede Wereldoorlog steeds geweest. Ze zijn geen reden voor doemscenario’s à la Scheffer. Wat de komende verkiezingen spannend maakt is dat we kunnen kiezen tussen twee kandidaten voor het premierschap: Balkenende en Cohen. We zien de wedstrijd met belangstelling tegemoet.

Anthonya Visser is hoogleraar Duitse taal- en letterkunde Universiteit Leiden. Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Lees het artikel van Scheffer na op nrc.nl/opinie