Orkestwerk Visman mooi mistig, maar niet tintelend

Concert Radio Fil. Orkest o.l.v. Kazushi Ono, met Leonidas Kavakos, viool. 27/3 Concertgebouw, A’dam. Radio 4: 30/3 20u.***

Wat maakt orkestmuziek ‘Frans’? Een vraag met vele antwoorden, bleek tijdens een ZaterdagMatinee met muziek van twee Franse componisten (Dutilleux en Debussy), een Francofiele Nederlander (Escher), en een nieuw werk van een Nederlander (Visman) die de opdracht kreeg zich naar dit gezelschap te voegen.

Voor Rudolf Escher (1912-1980) betekende ‘Frans’ vooral: niet-Duits. Hij componeerde Musique pour l’esprit en deuil tijdens de Tweede Wereldoorlog en schetst met Franse orkestkleuren en muzikale vrijheid eerst een beeld van een mooie en goede wereld om dat vervolgens door grimmige Teutoonse marsritmes te laten omwoelen – een proces dat Ono, die op het laatste moment inviel voor een geblesseerde Jaap van Zweden, met aan Ravel herinnerende onverbiddelijkheid en gepaste verontrusting uitvoerde.

Componist Bart Visman bewijst in zijn opdrachtwerk ces concerts, riches de cuivre.... (2010) opnieuw zijn grote vaardigheid met het orkest. Zo tintelend als de alom bejubelde orkestliedcyclus Sables, Oxygène (2008) wordt het echter nergens.

Ces concerts hinkt aan het begin nogal schematisch op twee gedachten: fanfare-achtige fragmenten met wat plat tegen elkaar in bewegende toonladders worden afgewisseld met gewichtloos hupsende, scherzo-achtige passages.

Hierna wordt de structuur vrijer, in een knap, impressionistisch ‘mistig’ middendeel met klaaglijke uithalen in een trio van klarinetten, dat uitmondt in grote extase. Ten slotte keert het begin terug in gewijzigde, meer uit elkaar getrokken gedaante.

De Griekse violist Leonidas Kavakos reeg als solist in Dutilleux’ vioolconcert L’arbre des songes (1985) met grote welsprekendheid het ene prachtmoment aan het andere. De muziek verloopt niet volgens een dwingende logica, maar juist intuïtief; een typisch Frans kenmerk.

Ono, die dienstbaar dirigeerde, liet de muziek echter wat erg vrijblijvend stromen, en bood zo weliswaar ruimte aan Kavakos’ spel en Dutilleux’ inventieve klankschoonheid, maar maakte het geheel ook weinig vervoerend.

Dat was ook het geval in La mer (1905), Debussy’s symfonische schets van de zee, die ondanks een prima spelend Radio Filharmonisch orkest wat rimpelloos en rechttoe rechtaan klonk. Met meer articulatie en ruimer ademend (niet perse méér) rubato had Ono de uitvoering aan impressionistisch mysterie kunnen laten winnen. Maar lees vooral: met meer voorbereidingstijd, want invaller Ono bewees dat hij het absoluut verdient om snel terug te komen en in alle rust een eigen programma voor te bereiden.