Ontzenuwde emoties

De overweging ging over ‘een zekere persoon’ die tekortschoot in aandacht. Dat wekte ergernis op. Maar wij verwennen haar toch ook niet met aandacht, was de tegenbewering in het eigen hoofd, want men is niet onrechtvaardig. Jawel, zei men tegenzichzelf terug, maar wij vinden haar toch al matig aardig dus ze zou blij moeten zijn met wat ze krijgt in plaats van te mokken om het gebrek aan extra’s. „Na mijzelf voorgehouden te hebben dat die redenering niet de soort van kracht heeft die een onpartijdige buitenstaander zou overtuigen stelde ik vast dat mijn verontwaardiging voortduurde, hoewel verzwakt. Wat ervan over was kon beschreven worden als ontzenuwde verontwaardiging.”

Ik zat te lezen in Vraag niet waarom van J.J. Peereboom, een verzameling uit 1988 van zijn ‘journalen’. Peerebooms journalen zijn een soort dagboekaantekeningen die geen dagboekaantekeningen zijn, ze geven gedachten en overwegingen naar aanleiding van iets in het dagelijks leven – dat kan bijvoorbeeld een avondwandelingetje zijn waarbij hij enige tijd naar de eenden in de Amsterdamse Reinier Vinkeleskade gestaard heeft die bijzonder werden verlicht door de anti-inbraakverlichting van een huis aan de overkant van het water. Zij zijn dan de aanleiding tot de vraag: „Waarom de wereld leren kennen als je om de hoek naar een paar eenden kan staren?” Een very Peereboomse vraag, waaraan meteen wordt toegevoegd dat er ook andere vragen mogelijk zijn.

John Peereboom is overleden afgelopen zaterdag. Zijn avondwandelingen waren al een poosje niet meer mogelijk, maar steeds vond hij toch wel onderwerpen om over na te denken. ‘Een mooi thema’ kon hij tevreden zeggen, dat zou weer enige tijd stof tot overweging geven en zulke overwegingen konden dan wellicht hun weg weer vinden naar een ‘journaal’.

Het is niet makkelijk om de eigen gedachten te betrappen terwijl zij hun gang gaan, of ze daarbij zodanig in de gaten te houden dat je achteraf kunt zeggen: deze weg hebben mijn gedachten afgelegd. De ontzenuwde verontwaardiging (een regelrecht verrukkelijke woordcombinatie) is daar een goed voorbeeld van. Je voelt iets, maar weet dat het niet redelijk is. Je bestrijdt je gevoelens dus met redelijkheid – we willen immers redelijke mensen zijn. Nu ja, niet iedereen zal zich in deze ‘we’ opgenomen voelen, er zijn ook mensen van wie je keer op keer meent te moeten veronderstellen dat ze geen enkele behoefte hebben om tot de ‘redelijke mensen’ gerekend te worden.

Maar goed, wij redelijken die besprongen worden door allerlei gevoelens, proberen deze gevoelens te beheersen, te analyseren, te verwijderen eventueel, als we hebben vastgesteld dat ze zoals Peereboom dat schrijft „niet de soort van kracht hebben die een onpartijdige buitenstaander zou overtuigen”. Daarmee is zo’n gevoel niet verdwenen, maar je hebt er verder niets aan. „Toen ik zover was hield ik op met het innerlijk debat, want dat is mijn natuurlijke staat: leven met ontzenuwde emoties. Het is niet een conditie die zich laat aanbevelen.”

Zoiets kan een lezer dan weer een mooi thema vinden om over na te denken. Want hoe zit het met emoties, moeten ze redelijk zijn willen ze gehandhaafd kunnen blijven? Eigenlijk wel. Maar wat is redelijk in dit verband? Er is allerlei regelrecht onredelijks aan de gevoelens die in ons opkomen, van de redeloze afkeer die we voor iemand voelen en die we opvullen met argumenten, tot jaloezie of de bewering dat iemand te ver is gegaan. Is daar ooit iets redelijks aan?

In de jaren zeventig, toen jaloezie tot de ongewenste emoties werd gerekend, kon je overal lezen dat jaloezie ongewenst, onnuttig, kinderachtig en verkeerd was. En het is helemaal niet moeilijk in te zien dat dat zo is, maar dat neemt niet weg dat men er ook toen niet in slaagde dat gevoel uit te roeien. Vandaag de dag is een onpartijdige buitenstaander weer vrij snel overtuigd als je ‘jaloezie’ aanvoert, sterker nog, dat merk ik wel eens: men eist min of meer van je dat je bij gelegenheden jaloers bent en wantrouwt het gebrek daaraan. En misschien is dat ook wel een gebrek, misschien is iemand die geen normale gezonde jaloezie weet op te brengen in een situatie die daar eigenlijk wel om vraagt, zichzelf wel voor de mal aan het houden. Is zo iemand weer bezig met het ontzenuwen van emoties.

Aan de andere kant: het is ook werkelijk mogelijk dat je iets voelt dat nergens op slaat. Ook dat overkomt Peereboom wel, ook weer tijdens zo’n avondwandelingetje, als hij mijmert over het verdwenen zijn van de echte verten. De aarde is zo klein geworden, overweegt hij, wat je je ook voorstelt, de westkust van Ierland aan de donkere oceaan, er doemt altijd in de verbeelding ook een huisje op waar achter het verlichte raam een gezin naar hetzelfde televisieprogramma zit te kijken als wij zelf doen. Niets is meer echt ver, en Peereboom voelt het gemis daarvan en de benauwenis van het leven daarzonder.

Maar nog voor hij thuis is, beseft hij dat dat onzin is. „Als er verten beschikbaar zouden zijn ging ik er zeker niet heen, en ik kan geen enkele manier bedenken waarop hun verlies mij schaadt.” Verontwaardigd denkt hij tegen zichzelf: „Het is toch niet denkbaar dat ik onzin voel!” en vervolgt dan kalm: „Blijkbaar wel. Ik voel onzin. Wegdoen dus.”

Op het gevaar af al te persoonlijk te worden, durf ik best te bekennen dat ik me buitengewoon verwant voel met zulke overwegingen. En met de persoon die ze had.

Het is zo spijtig, zo ontzaglijk spijtig als iemand er niet meer is.

„Pijn, angst, onzekerheid en verlies zijn ons deel, zoals iedereen weet maar van een afstand niet hard ondervindt. Nu ondervond ik het, en eerbiedigde de overmacht.”

Wilt u reageren? Dat kan online via nrc.nl/vos (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)