Nico Dijkshoorn

‘Truus: Alles goed met jullie kinderen? Willem: Ja, dat is schitterend spul.Truus: Hoe heette die ene ook alweer? Willem: Boy. Truus: Ja, die. Heb jij die naam verzonnen?Willem: Ja, samen met Marianna.Truus: Leuk. Romantisch ook.Willem: Boy betekent jongen, maar dan in het Engels, dus dat vonden we wel lachen. Want het is een jongen.Truus: Ja. Hilarisch.’

Een citaat uit de tragedie ‘Truus en Willem’, die Nico Dijkshoorn opnam in zijn verzameling Dijkshoorn (NieuwAmsterdam, € 16,50). Het is melig, maar op de goede manier. Dat komt door de absurde uitvergroting van de bestaande verhoudingen. Net als bij Dijkshoorns befaamde gedicht over Mart Smeets waarin telkens de regels ‘mag ik dat zeggen / ja dat mag ik zeggen’ worden herhaald.

Het is bijna onmogelijk geen kennis te nemen van deze meligheid. Alomtegenwoordig gaat misschien wat ver, maar er valt véél Dijkshoorn te genieten op televisie (De wereld draait door), op de radio (bij Giel Beelen), in tijdschriften (Voetbal International), kranten (De Pers) en op internet (Nu.nl en Twitter). Maar te veel Dijkshoorn is het blijkbaar niet, want Dijkshoorn is met overtuiging de bestsellerlijst ingeschoten (binnen twee weken naar plek 27 in de CPNB-lijst) en binnen een maand was er een herdruk.

Het boek is een ratjetoe, een verzameling stukken uit bovengenoemde media, en ook nog uit de Volkskrant, Hard Gras, Johan, enz. En dan zijn er gedichten en verhalen over muziek, voetbal en tv.

Het is opvallend dat de stukken sterker worden naarmate de korte baan wat langer is: zo is het verhaal ‘Bob houdt het voor gezien’ (geschreven voor Hard gras) prachtig. In dit stuk vertelt Dijkshoorn over de korte voetbalcarrière van zijn zoon Bob, die op negenjarige leeftijd wordt gescout door AZ. Trots en schrik vechten om voorrang en de laatste wint, nadat blijkt dat alle speelvreugde vakkundig wordt ontmanteld. Coaches Dennis en Aloys leggen uit: ‘In potentie is Bob, technisch gezien, de beste voetballer in zijn team. Aloys onderbreekt Dennis. In potentie, Bob, weet je wat dat betekent? Bob knikt. Wat dan, wil Aloys weten. Nou ja, dat je wel iets kunt maar dat je het niet doet, of zo. Hij lacht een zenuwenlach erachteraan. Aloys maakt een aantekening en knikt naar Dennis. Die kan door. Dennis legt uit dat hij veel van Bob verwacht, maar dat het er niet helemaal uit komt.’

Zo serieus zijn de meeste stukken niet, meestal is Dijkshoorn vooral grappig, zoals in zijn tekstanalyse van Frank Boeijen: ‘Nou ja, duidelijk lijkt mij. Spreekt voor zich. Zwart, wit en hart en dan kleur en nadenken, dat is eigenlijk wat Frank wilde zeggen, als hij verstaanbaar zou kunnen zingen.’ Ook is hij goed in de gortdroge reportage, over het Mega Piraten Festijn, een Tractor Pulling wedstrijd of een hiphopconcert: ‘We roepen voor de veertiende keer achter elkaar dat hij Master Jay is. Of we de rest van Run DMC ook op het podium willen? Ja, doe maar, we zijn er toch. Dat is niet genoeg. Smeken moeten we.’

En zo gaat dat door, een kleine 350 pagina’s – vaak absurd, soms opeens verrassend serieus, bijna altijd ironisch maar nooit echt afstandelijk. Humor, uitvergroting en herkenning – dat is het kenmerk van de bestseller, dat is wat de lezer wil, en daarom spreekt Dijkshoorn dus aan. Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen.

Toef Jaeger

Nog meer Dijkshoorn lezen? www.nicodijkshoorn.com