'Laat RSV-trauma los en kies sectoren om in te investeren'

Nederland investeert alleen generiek in onderzoek en ontwikkeling. Het Innovatieplatform wil dat voortaan wordt gekozen voor specifieke sectoren.

Nederland verliest terrein op het gebied van de kennisindustrie. Bestaande ondernemingen innoveren te weinig en er komen te weinig innovatieve bedrijven bij. Dat staat in het vandaag verschenen rapport Bouw op talent van het Innovatieplatform.

De investeringen in de kennisstructuur van Nederland blijven sterk achter bij die van de Verenigde Staten, Duitsland, Finland, Zweden en Canada. Deze landen investeren ondanks de economische crisis juist extra in onderwijs, onderzoek en innovatie en ondernemerschap. Ter illustratie: per geboren baby geeft Zweden jaarlijks 75.000 euro meer uit aan kennis dan Nederland.

Nederland wil tot de vijf beste kennissamenlevingen van de wereld behoren. Deze ambitie sprak de Tweede Kamer vorig jaar september unaniem uit in de motie van PvdA-fractievoorzitter Mariëtte Hamer. „Dat vergt een extra investering, maar er is tot dusver nog te weinig gebeurd”, zegt SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan in een toelichting op het rapport. De landen die Nederland wil inhalen, hebben wel extra geïnvesteerd. „In deze economische crisis moeten het Nederlands bedrijfsleven en de politiek extra investeren in kennis in plaats van te bezuinigen. De kloof wordt steeds groter.”

De positie van Nederland als kenniseconomie is al jaren in het gedrang. De groei van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling ligt ten opzichte van het bruto binnenland product al bijna tien jaar stil, terwijl de meeste andere Europese landen een groei laten zien. Door de crisis en de opkomst van nieuwe kenniseconomieën als China, India en Brazilië is de problematiek des te urgenter, vindt Rinnooy Kan. „Wil je als kennisland naar de top, dan moet je zo’n 3 procent van je bruto binnenlands product investeren in onderzoek en ontwikkeling. In Nederland komen we net boven het OESO-gemiddelde van 1,5 procent uit.”

Rinnooy Kan is lid van de werkgroep Kennisinvesteringsagenda van het Innovatieplatform. Het Innovatieplatform is in 2003 ingesteld door het kabinet-Balkenende II om de concurrentiekracht van de Nederlandse economie te versterken. In het platform zitten topondernemers en wetenschappers, die adviezen ontwikkelen en maatregelen bedenken voor het kabinet.

Voor de derde keer analyseert de werkgroep de voortgang en constateert dat de meeste in 2005 gestelde tienjaarsdoelen waarschijnlijk niet zullen worden gehaald en dat er te weinig wordt geïnvesteerd in onderwijs, onderzoek en innovatie. De coalitie van zo’n 28 organisaties vraagt extra aandacht voor de noodzaak van topdocenten, onderwijs op maat, een leven lang leren en een slimmer werkend, innovatiever midden- en kleinbedrijf.

In Duitsland, Zweden, Finland wordt wel extra geïnvesteerd in kennis. Waarom lukt het in die landen wel?

„Ik vrees dat het een kwestie van politiek doorzettingsvermogen is. Een vaste overtuiging – en die wordt juist op de proef gesteld wanneer er geld tekort is. En juist nu zijn die investeringen hard nodig. De OESO heeft onlangs weer eens keihard aangetoond dat investeringen in onderwijs geld oplevert – ze hebben een hoog economisch rendement.”

Het ontbreekt in Nederland dus aan politiek doorzettingsvermogen.

„Niemand is tegen onderwijs, maar het onderwijs heeft te weinig echte vrienden. De achterstand is hier en daar verder opgelopen en we zakken weer wat op de concurrentieranglijst.”

Uw ambitie is terugkeren in de OESO-top. Welk bedrag zou het nieuwe kabinet moeten uittrekken om deze ambities te realiseren?

„Over een periode van tien jaar zouden de Nederlandse kennisinvesteringen moeten toenemen met een bedrag van jaarlijks 6 miljard euro extra publiek en 6 miljard euro extra privaat.”

Uit het rapport van het Innovatieplatform blijkt dat de investering in onderzoek en ontwikkeling door bedrijven van 2007 op 2008 met circa 500 miljoen euro is gedaald.

„Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Bedrijven zijn te weinig ambitieus. Nederland is disproportioneel afhankelijk van een paar grote bedrijven: Philips, Akzo, Shell, Unilever. Het aantrekken van buitenlands speur- en ontwikkelingswerk is een kansrijke manier om de lage score op private speur- en ontwikkelingswerk te verbeteren.

„Maar Nederland scoort relatief laag bij het aantrekken hiervan doordat ons land onvoldoende zichtbaar en onderscheidend is. Natuurlijk speelt de crisis ons ook parten. Gelukkig heeft het kabinet de kenniswerkersregeling overgenomen. Kenniswerkers van bedrijven werken nu tijdelijk bij publieke instellingen, waardoor kennis en kunde in Nederland blijft.”

U pleit voor een actievere opstelling van de rijksoverheid?

„Naast generieke steun moet je keuzes durven maken op deelterreinen waar Nederland extra kansrijk is. Dat is lang een taboe geweest, maar dat hebben we gelukkig achter de rug. Ook in het wetenschappelijk onderzoek kan en moet scherper nog worden gekozen.”

Een reveil voor het industriebeleid?

„Dat is even slikken geweest. Ik was voorzitter van VNO [1991-1996, red.] toen ik de strikte instructie meekreeg dat het nooit meer over selectief industriebeleid mocht gaan, alleen generiek. Laat de markt het maar bedenken, de overheid zit er per definitie toch naast. De verwerking van het RSV-trauma. Dat is nu dus diep ademhalen geweest, maar je ziet dat de kleine landen om ons heen succesvol zijn omdat ze prioriteiten stellen.

„Kijk bijvoorbeeld naar de positie die Denemarken heeft verworven op het terrein van windmolentechnologie. Wij staan op de zeventiende plaats in de duurzame energierangorde, toch liggen daar veel kansen. Je moet een paar keuzes maken op centraal niveau. Niet omdat Den Haag het bedenkt, maar omdat je je laat overtuigen door goede publiek-private samenwerkingsplannen. Industriebeleid nieuwe stijl, het is niet anders.”

U bent nu vier jaar voorzitter van de SER, lid van D66. Heeft u ambities om al deze adviezen, bijvoorbeeld als minister van Onderwijs, concreet om te zetten in beleid?

„Voorlopig maar niet, ik zit hier goed. Deze plek verdraagt zich niet met partijpolitiek.”

Lees het rapport Bouw op talent van het Innovatieplatform via nrc.nl/economie