Krom kerkrecht

„Het katholicisme is mijn geloof, maar zelden mijn kerk.” Dat zei PvdA-politicus en katholiek Frans Timmermans gisteren in het televisieprogramma Buitenhof. Hij voelt zich verwant met honderden miljoenen geloofsgenoten in de wereld, maar niet met het instituut dat de Kerk is geworden en dat er spelregels op nahoudt die ingaan tegen heersende normen en geldende wetten.

Gevraagd naar zijn reactie op de misbruikschandalen zei Timmermans: „Vergeet even dat de kerk een religieuze organisatie is. Ze is actief in de gezondheidszorg en het onderwijs, ze is een maatschappelijke organisatie. En leden daarvan hebben zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten.”

Priesters en kloosterlingen hebben zich, net als dominees, rabbijnen en imams, te houden aan de wet. En hun eigen regels, ook al onderwerpen mensen zich daar vrijwillig aan, zouden niet in strijd mogen zijn met die wet. Het wordt dan ook tijd om de Codex Iuris Canonici, het wetboek van de Katholieke Kerk uit 1983, eens te toetsen aan het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en aan de wetgeving van de lidstaten van de Europese Unie.

Zo’n exercitie zal op een aantal punten fricties aan het licht brengen. Hier volstaat een voorbeeld: de eed die kardinalen afleggen bij hun inwijding. Daarin staat deze passsage: ‘Ik beloof en zweer geen geheimen die aan mij werden toevertrouwd noch zaken die de Heilige Kerk kunnen beschadigen of onteren te onthullen; met grote ijver en trouw de taken uit te voeren waartoe ik bij mijn dienst aan de Kerk geroepen ben, in overeenstemming met de wet. Zo helpe mij God Almachtig.’ Een dubbelzinnige, zo niet kromme formulering.

De geheimhouding en de trouw aan de Kerk waartoe kardinalen als Simonis en Ratzinger zich hebben verplicht, om de Kerk niet te beschadigen of te onteren, zou wel eens de reden kunnen zijn waarom gevallen van misbruik in hun kerkprovincie nooit aan het licht zijn gekomen, ook al waren die natuurlijk niet in overeenstemming met de wet.