Krik-krak, mond op slot

Is het gebaar van het draaiende sleuteltje voor een gesloten mond pas recentelijk ontstaan? Nee.

Vraag iemand om een obsceen gebaar te beschrijven en dikke kans dat hij – of zij – begint over de opgestoken middelvinger. Vorige week schreef ik hier dat dit gebaar ontbrak in de eerste editie van het Nederlands Gebarenboekje van Herman Pieter de Boer en Pat Andrea, uit 1979. De ruimte ontbrak toen om iets te citeren uit het nawoord bij dit boekje, want daarin wordt het weglaten van dit gebaar toegelicht.

„Terwijl we dit boekje voltooiden”, schreven Andrea en De Boer in 1979, „meenden we de opkomst waar te nemen van nieuwe elementen in de geluidloze taal der Nederlanders. Een voorbeeld: het oude fallische gebaar de middelvinger-stoot schijnt hier in zwang te komen. Of wéér in zwang te raken? De oude Romeinen kenden dit beledigende, obscene gebaar al, en u zult het misschien wel eens gezien hebben in een Amerikaanse film: alle vingers gekromd, behalve de middelvinger, die wordt in de lucht omhoog gestoten. Voor ons is criterium: wordt het gebaar door vrijwel iedere Nederlander begrepen. Als men over een jaar ook in Beesd, Rijs en Quirijnstok kwaad wordt om de middelvinger-stoot, dan moeten we overgaan tot registratie.”

En dat is precies wat ze deden. In 1982, in een uitgebreide editie, beeldden ze het gebaar alsnog af, met als toelichting: „Inmiddels is het gebaar werkelijk in gebruik gekomen, vooral bij jonge mensen, veelal vanuit auto’s tegen een al dan niet echt domme mede-weggebruiker.” En in 2004, in het Groot Gebarenboek der Lage Landen, schreven Andrea en De Boer, onder de kop ‘De middelvingerstoot’: „Het is werkelijk zo dat dit beledigingsgebaar pas eind jaren ’70, begin jaren ’80 goed doordrong tot de Lage Landen.”

Dit alles sluit overigens goed aan bij de herinneringen van veel lezers. Vooral uit de beginperiode herinnerden zij zich dat de opgestoken middelvinger de afronding was van een uitgebreider gebaar, dat begon met een klap aan de binnenzijde van de elleboog, waarna de hand met opgestoken middelvinger omhoog veerde. Tegelijkertijd werd de tong uitgestoken. Die uitgebreide variant bestaat natuurlijk nog steeds, maar ik heb de indruk dat de korte variant inmiddels gangbaarder is.

Overigens kwam dit gebaar, zoals De Boer en Andrea schrijven, inderdaad al in de Oudheid voor. We komen de digitus infamis of digitus impudicus (men zei ook: medium ostendere digitum) al tegen bij schrijvers als Martialis, Persius en Diogenes Laertius. En ook Erasmus verwijst ernaar in zijn Adagia. Mogelijk is het hier eerder in gebruik geweest, toen verdwenen en vervolgens opnieuw geleend, ditmaal uit het Engelse taalgebied (waar het onder andere bekendstaat als the finger en the highway salute).

Is het gebaar van het draaiende sleuteltje voor een gesloten mond (in het Engels: my lips are sealed) ook zo jong? Nee. Diverse lezers herinnerden zich dit gebaar al van de kleuterschool, vanaf de jaren vijftig. Men zei er soms bij „krik-krak, mond op slot” of kortweg „krik-krak”. Het werd zowel gebruikt voor ‘ik zeg niks, ik bewaar je geheim’ als voor ‘en nou je mond houden’. Soms moest een hele klas het de juffrouw nadoen: „En nou allemaal, krik-krak, mond op slot.”

Als variant werd de mond met een gebaar dichtgeritst. Van dát gebaar weten we zeker dat het niet kan zijn ontstaan voor de ritssluiting goed en wel doorbrak, en dat gebeurde in Nederland pas aan het begin van de jaren dertig.